ECLI:NL:RBAMS:2024:2260
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bewonersvergunning parkeren wegens vergunningenplafond
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een bewonersvergunning parkeren in deelvergunninggebied West-6.2, waar het vergunningenplafond op nul is gesteld. Verweerder heeft de aanvraag geweigerd op grond van artikel 32, vierde lid, van de Parkeerverordening 2013, omdat het vergunningenplafond is bereikt.
Eiseres voerde aan dat zij vanwege haar mantelzorgtaken, lichamelijke klachten en het werk van haar echtgenoot in de zorg een parkeervergunning nodig heeft. Tevens stelde zij dat zij op basis van toezeggingen van haar verhuurder mocht verwachten dat een parkeerplaats beschikbaar zou zijn, en deed een beroep op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank oordeelt dat deze toezeggingen niet van verweerder afkomstig zijn en het beroep op het vertrouwensbeginsel daarom faalt.
Verder heeft verweerder de hardheidsclausule niet toegepast. De rechtbank stelt dat verweerder bij het bereiken van het vergunningenplafond geen beleidsvrijheid heeft om de vergunning te verlenen, maar wel beoordelingsvrijheid bij toepassing van de hardheidsclausule. De rechtbank acht het beleid van verweerder niet onredelijk en concludeert dat verweerder in redelijkheid heeft besloten de hardheidsclausule niet toe te passen, mede omdat eiseres haar voertuig ook zonder vergunning in de buurt kan parkeren.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter M.H.W. Franssen op 24 april 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een bewonersvergunning parkeren wordt ongegrond verklaard.