ECLI:NL:RBAMS:2024:2322

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 april 2024
Publicatiedatum
25 april 2024
Zaaknummer
AMS 23/7356
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogenWet werkloosheidsverzekeringWet verbetering poortwachter
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen vaststelling mate arbeidsongeschiktheid WIA-uitkering

Eiser, een 52-jarige man met psychische klachten, betwistte de door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 70,15% per 8 mei 2023, waarop zijn loongerelateerde WGA-uitkering is gebaseerd.

De rechtbank beoordeelde of verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid niet te laag had vastgesteld. Medisch gezien erkende de rechtbank dat eiser serieuze gezondheidsproblemen heeft, maar oordeelde dat de verzekeringsarts terecht gebruik heeft gemaakt van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) en dat de beperkingen passend zijn vastgesteld. De rechtbank verwierp het argument dat eiser ook beperkt moest worden geacht in het dagelijks functioneren.

Arbeidskundig concludeerde de rechtbank dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies medisch geschikt zijn voor eiser en dat eiser onvoldoende inhoudelijk heeft onderbouwd waarom deze functies niet uitvoerbaar zouden zijn.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde de mate van arbeidsongeschiktheid op 70,15% en wees terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de vaststelling van zijn mate van arbeidsongeschiktheid is ongegrond verklaard en de mate van 70,15% blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/7356

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2024 in de zaak tussen

[eiser 1] , uit Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. E. Kaya),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde van verweerder] ).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing van verweerder om aan eiser een loongerelateerde WGA [1] -uitkering toe te kennen.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2024 op zitting behandeld. Daar was uitsluitend de gemachtigde van eiser aanwezig.

Totstandkoming van het besluit

2.1.
Eiser is een 52-jarige man en is, na jaren een bijstandsuitkering te hebben ontvangen, laatstelijk werkzaam geweest als kwaliteitsinspecteur voor 40 uur per week. Daarna heeft hij een WW [2] -uitkering ontvangen. Op 10 mei 2021 heeft eiser zich ziekgemeld vanuit de WW, wegens psychische klachten. Eiser heeft vervolgens een Ziektewetuitkering ontvangen.
2.2.
Met het primaire besluit van 27 maart 2023 heeft verweerder aan eiser per
8 mei 2023 een WIA [3] -uitkering in de vorm van een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 60,88%.
2.3.
Met het bestreden besluit van 10 november 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser gericht tegen het primaire besluit gegrond verklaard. Verweerder heeft dit besluit gebaseerd op een rapportage van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van
2 november 2022 en een rapportage van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van
9 november 2023. De verzekeringsarts bezwaar en beroep vindt dat eiser minder mogelijkheden heeft om te werken dan eerder aangenomen, en heeft een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van de nieuwe FML de eerder geduide voorbeeldfuncties niet geschikt geacht. Wel heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep andere functies kunnen duiden. Op basis van deze functies heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser per 8 mei 2023 vastgesteld op 70,15%. Dat betekent dat eiser zijn recht op een loongerelateerde WGA-uitkering behoudt.

Beoordeling door de rechtbank

3.1.
De rechtbank beoordeelt of verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 8 mei 2023 (de datum in geding) niet te laag heeft vastgesteld.
3.2.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Medische grondslag
4.1.
Eiser vindt dat hij volledig arbeidsongeschikt moet worden verklaard. Eiser vindt dat hij met objectieve medische stukken heeft aangetoond dat hij beperkter is dan aangenomen en vindt dat deze stukken onvoldoende zijn betrokken bij de besluitvorming. Eiser kan verder niet volgen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hem op het gebied ‘persoonlijk functioneren in arbeid’ wel beperkt heeft geacht, maar niet op het gebied van ‘dagelijks functioneren’. Volgens eiser moet hij ook beperkt worden geacht op ‘handelingstempo in het dagelijks functioneren’.
4.2.
De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser, anders dan in beroepen tegen een weigering van uitkering, door verweerder in substantiële mate arbeidsongeschikt is geacht. Verweerder erkent ook uitdrukkelijk dat eiser serieuze gezondheidsproblemen heeft en heeft daarvoor beperkingen aangenomen. Dat verweerder daarbij in strijd heeft gehandeld met voorhanden zijnde objectieve medische stukken blijkt niet.
4.3.
Bij het vaststellen van deze beperkingen heeft verweerder gebruik gemaakt van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Dat mag verweerder doen op grond van vaste rechtspraak van de hoogste rechter in zaken als deze, de Centrale Raad van Beroep [4] . In het CBBS staat bij de vaststelling van de beperkingen niet centraal hoeveel betrokkene er zelf in vergelijking tot het verleden op achteruit is gegaan. Er wordt een vergelijking gemaakt met hetgeen een lid van de gezonde beroepsbevolking van 16 tot 65 jaar in het normale dagelijks leven nog – minimaal – aan activiteiten kan verrichten. De kritiek dat hierdoor geen reëel beeld wordt verkregen van iemands belastbaarheid in een werksituatie is vaker gehoord, maar is in de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep niet gevolgd. In de wet WIA staat ook niet voorop wat iemand niet meer kan, maar juist wat er nog wel kan. De rechtbank ziet in deze zaak dan geen aanleiding om te oordelen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiser meer beperkt had moeten achten.
4.3.
Voor zover eiser aanvoert dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hem beperkt had moeten achten op ‘handelingstempo in het dagelijks functioneren’, volgt de rechtbank hem niet. De omstandigheid dat eiser beperkt is geacht op het gebied van ‘persoonlijk functioneren in arbeid’, brengt namelijk niet automatisch met zich mee dat eiser ook beperkt moet worden geacht op het gebied van ‘dagelijks functioneren’. Zoals op de zitting besproken zou deze redenering overigens op zich ook omgekeerd kunnen worden, maar dan leidt hij juist tot de conclusie dat verweerder minder beperkingen zou moeten aannemen.
4.4.
De rechtbank ziet dan ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit.
Arbeidskundige grondslag
5.1.
Eiser voert aan dat hij zelfs met de huidige beperkingen de geduide functies niet kan uitvoeren. Volgens eiser kan hij de functie Productiemedewerker (SBC-code 272042) niet uitvoeren, omdat hij in die functie met collega’s moet werken en omdat wordt verwacht dat hij met een hoge mate van zelfstandigheid kan werken. Eiser stelt dat hij ook de functie Productiemedewerker (SBC-code 272043) niet kan uitvoeren, omdat deze functie zijn belastbaarheid overschrijdt op het gebied van fysieke en mentale klachten. Eiser vindt verder dat hij de functie Medewerker binderij, grafisch nabewerker (SBC-code 268030) niet kan uitvoeren, omdat hij hierin regelmatig te maken krijgt met tillen, dragen, reiken, knielen en hurken.
5.2.
Bij de vraag of eiser kan werken in de functies die de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geselecteerd, gaat de rechtbank uit van de beperkingen zoals deze zijn vastgelegd in de FML van 2 november 2022. Dat heeft verweerder ook gedaan en dat mag verweerder in het kader van het CBBS zo doen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende toegelicht waarom de geselecteerde functies medisch geschikt zijn voor eiser. Daarop is eiser echter niet inhoudelijk ingegaan. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat de geduide functies in medisch opzicht voor eiser ongeschikt zijn.

Conclusie en gevolgen

6.1.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat verweerder eisers mate van arbeidsongeschiktheid correct heeft vastgesteld op niet meer dan 70,15 %.
6.2.
Eiser krijgt het door hem betaalde griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten.
2.Werkloosheidswet.
3.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 oktober 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR4760.