De rechtbank Amsterdam heeft op 28 maart 2024 uitspraak gedaan in een zaak tegen verdachte, die als bestuurder van twee rechtspersonen betrokken was bij faillissementsfraude. Verdachte heeft voor en tijdens het faillissement van deze ondernemingen geldbedragen van de bankrekeningen onttrokken, terwijl schuldeisers onbetaald bleven. Tevens voldeed hij niet aan zijn wettelijke verplichtingen om een volledige en deugdelijke administratie te voeren en deze aan de curator te verstrekken, waardoor de afwikkeling van de faillissementen werd bemoeilijkt.
De rechtbank achtte alle tenlastegelegde feiten bewezen, waaronder het opzettelijk niet voldoen aan de administratieplicht, het niet tijdig verstrekken van administratie aan de curator en het onttrekken van in totaal ruim €70.000 aan boedelgelden. Verdachte handelde doelbewust en was zich bewust van zijn verplichtingen en de gevolgen van zijn handelen voor schuldeisers. Het verweer dat hij niet opzettelijk handelde of dat het geld bestemd was voor schuldeisers werd verworpen.
De strafmaat is bepaald aan de hand van landelijke oriëntatiepunten voor benadelingsbedragen van deze omvang. De rechtbank legde een taakstraf van 200 uren op, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en een proeftijd van 2 jaar. Hiermee wordt de ernst van het bewezen verklaarde benadrukt en wordt verdachte een stok achter de deur gegeven om herhaling te voorkomen.