Air Festival Holding B.V. heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) waarin de definitieve subsidie op grond van de NOW-2 werd vastgesteld en een deel van het voorschot werd teruggevorderd. De kern van het geschil betrof de vraag of een schikking met drie verzekeringsmaatschappijen ter waarde van € 5,6 miljoen als omzet in de zin van de NOW-2 moet worden meegeteld.
Eiseres stelde dat deze schikking niet als omzet moet worden aangemerkt, omdat het volgens haar niet voldoet aan het omzetbegrip uit het jaarrekeningenrecht en omdat de schikking slechts gedeeltelijk de gemaakte kosten compenseert. Verweerder stelde dat het omzetbegrip in de NOW-2 breder is en dat de schikking direct verband houdt met de primaire activiteiten van de organisatie, namelijk het organiseren van evenementen, die door COVID-19 maatregelen waren geannuleerd.
De rechtbank oordeelde dat het omzetbegrip in de NOW-2 inderdaad breder is dan het omzetbegrip uit Boek 2 BW en dat de schikking met de verzekeringsmaatschappijen terecht als omzet is gekwalificeerd. Ook een vergoeding voor gemaakte kosten valt onder het omzetbegrip. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiseres geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.
De uitspraak benadrukt dat het NOW-2 omzetbegrip is afgestemd op het activiteitenniveau van de onderneming en dat baten uit normale activiteiten, ook onder andere benamingen, meetellen. Dit sluit aan bij de toelichting in de NOW-1 en de richtlijnen voor jaarverslaggeving.