De rechtbank Amsterdam behandelde op 16 mei 2024 het verzoek tot overlevering van een persoon aan Hongarije op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Het EAB was uitgevaardigd door het Gerechtshof van Kecskemét en betrof de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk verklaard arrest waarbij een gevangenisstraf van drie jaar is opgelegd voor corruptie.
De verdediging voerde aan dat het arrest nog niet onherroepelijk was vanwege een lopende procedure bij het constitutioneel hof en dat de overlevering geweigerd moest worden omdat de opgeëiste persoon niet zeker was van een machtiging aan zijn advocaat. De officier van justitie stelde dat het arrest definitief was en dat de advocaat wel gemachtigd was.
De rechtbank oordeelde dat het EAB aan de wettelijke eisen voldoet en dat de procedure bij het constitutioneel hof geen beletsel vormt voor overlevering. Hoewel niet volledig duidelijk was of de opgeëiste persoon bij alle zittingen aanwezig was, concludeerde de rechtbank dat hij op de hoogte was van de procedure en afstand had gedaan van zijn recht om persoonlijk te verschijnen. Daarom werd het verweer verworpen en werd de overlevering toegestaan.
De rechtbank stelde vast dat het strafbare feit op de lijst van de Overleveringswet staat en dat dubbele strafbaarheid niet hoeft te worden onderzocht. De uitspraak is onherroepelijk en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open.