Eiser kreeg op 16 december 2023 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat hij op 13 december 2023 zonder te betalen op een parkeerplek in Amsterdam stond. Na bezwaar verklaarde de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
Eiser voerde aan dat hij zijn auto kort had stilgezet vanwege een vermoedelijke schade na het rijden over een plastic zak. Hij wilde controleren of er schade was en zette zijn auto daarom stil om de situatie te inspecteren. Tijdens de zitting lichtte hij toe dat hij vanuit zijn woonadres in Oegstgeest naar zijn werk in Amsterdam reed en onderweg een vergadering volgde via zijn carkit. Op ongeveer 150 meter van zijn werk hoorde hij een raar geluid en zette hij zijn auto stil op een fiscale parkeerplek om geen gevaar op de weg te vormen.
De rechtbank stelde vast dat eiser op het moment van controle geen parkeerbelasting had betaald en dat het stilstaan met een auto als parkeren wordt beschouwd, tenzij het onmiddellijk in- of uitstappen van personen of het laden en lossen van zaken betreft. Uit de scanfoto’s bleek dat de auto achteruit was ingeparkeerd en dat eiser rechtop naast de auto stond met zijn mobiel aan zijn oor, wat niet voldoet aan het onmiddellijkheidsvereiste voor een uitzondering op parkeren.
De rechtbank oordeelde dat de bewijslast rust op de bestuurder om aan te tonen dat geen sprake was van parkeren, wat eiser niet had gedaan. De naheffingsaanslag is daarom terecht opgelegd en het beroep ongegrond verklaard.