Eiseres betwistte de vaststelling van haar maandelijkse aflossingscapaciteit voor de terugbetaling van een te veel ontvangen AOW-uitkering. Verweerder had aanvankelijk een aflossingscapaciteit van €293 vastgesteld, maar na bezwaar werd dit verlaagd naar €247,44 per maand.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de aflossingscapaciteit had vastgesteld, mede omdat eiseres alle benodigde stukken had ontvangen en geen concrete aanwijzingen gaf voor betalingsproblemen. De rechtbank nam daarbij ook kennis van een recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, maar deze leidde niet tot onrechtmatigheid van het bestreden besluit.
Verder wees de rechtbank erop dat verweerder een tijdelijke maatregel hanteert in afwachting van de definitieve gevolgen van de Centrale Raad van Beroep-uitspraak en dat een verzoek tot kwijtschelding van het restant mogelijk is onder voorwaarden. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen.