Eiser, een 56-jarige man woonachtig in Polen, heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding in maart 2020. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De verzekeringsarts stelde beperkingen vast door onder meer hartritmestoornis en gewrichtspijn, en de arbeidsdeskundige duidde lichte functies die eiser zou kunnen uitvoeren.
Eiser betwistte de besluiten en verwees naar een brief van zijn internist en recente medische stukken over een ongeluk, maar vroeg geen uitstel van behandeling. De rechtbank oordeelt dat het ongeluk geen rol speelt in deze procedure en dat de internist onvoldoende onderbouwing gaf voor volledige arbeidsongeschiktheid.
De medische informatie toont gezondheidsklachten en beperkingen, maar ook mogelijkheden tot behandeling en verbetering. Verweerder heeft alle stukken, inclusief Poolse documenten, betrokken bij de beoordeling. De rechtbank concludeert dat eiser, rekening houdend met beperkingen, de geduide lichte functies kan uitvoeren.
Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard en blijft de afwijzing van de WIA-uitkering in stand. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.