Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2024:3319

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 mei 2024
Publicatiedatum
6 juni 2024
Zaaknummer
C/13/745482 / HA RK 24-27
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 186 RvArt. 187 lid 3 RvArt. 3:13 BWArt. 3:303 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek voorlopig getuigenverhoor in geschil over samenwerkingsovereenkomst en klantbenadering

Progaia IT Solutions B.V. en Talend Netherlands B.V. waren gebonden door een samenwerkingsovereenkomst (VAR) voor de verkoop van software. Na opzegging van de VAR door Progaia ontstond een geschil over toezeggingen tijdens een gesprek op 10 februari 2023, waarbij Talend zou hebben toegezegd Short Reseller Agreements (SRA’s) te sluiten voor bestaande klanten van Progaia. Talend ontkent deze toezeggingen en wijst op het bestaan van een geluidsopname van het gesprek, die Progaia niet deelt.

Progaia verzoekt op grond van artikel 186 Rv Pro een voorlopig getuigenverhoor om bewijs te verzamelen over de toezeggingen en over het directe benaderen van klanten door Talend en haar nieuwe partner CIMT. De rechtbank beoordeelt dat het verzoek voldoet aan de formele en inhoudelijke vereisten en dat Progaia voldoende belang heeft, mede omdat de geluidsopname geen context biedt.

De rechtbank wijst het verzoek toe, benoemt een rechter-commissaris, en bepaalt de datum en locatie voor het getuigenverhoor. Partijen worden verplicht persoonlijk te verschijnen en er wordt een oproepingsschema voor getuigen opgesteld. De beschikking is uitgesproken op 30 mei 2024.

Uitkomst: Het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen en het verhoor vindt plaats op 15 augustus 2024.

Uitspraak

RECHTBANKAmsterdam
Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/745482 / HA RK 24-27
Beschikking van 30 mei 2024
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
PROGAIA IT SOLUTIONS B.V.,
gevestigd te Houten,
verzoekende partij,
hierna te noemen: Progaia,
advocaat: mr. S.P.R.M. Kranenburg,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TALEND NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: Talend,
advocaat: mr. R. van Neck.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties,
- de beschikking van 7 maart 2024, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 april 2024 met de daarin genoemde stukken.

2.De feiten

2.1.
Progaia is een onderneming die actief is op het gebied van IT en integraties, waaronder applicaties, data en software.
2.2.
Talend ontwikkelt oplossingen voor het integreren en structureren van data, waarbij bedrijven gebruik maken van een platform om data van verschillende bronnen op te slaan en in te zien als uniforme dataset.
2.3.
Partijen hebben met elkaar samengewerkt op basis van een samenwerkingsovereenkomst over de verkoop door Progaia van software van Talend: de Value-Added Reseller Agreement (hierna: de VAR). De VAR is gesloten op 7 maart 2020 en een aantal keer stilzwijgend voor de periode van een jaar verlengd. Progaia had op grond daarvan het recht om software en services van Talend te promoten, verkopen en distribueren op de Nederlandse en Belgische markt.
2.4.
Op 26 januari 2023 heeft Progaia in een e-mail aan Progaia de VAR opgezegd.
2.5.
Naar aanleiding hiervan heeft op 10 februari 2023 een gesprek plaatsgevonden tussen partijen. Aanwezig bij dit gesprek waren [naam 1] van Progaia en [naam 2] en [naam 3] van Talend.

3.3. Het verzoek en het verweer

3.1.
Progaia verzoekt de rechtbank om op grond van artikel 186 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) een voorlopig getuigenverhoor te bevelen.
3.2.
Aan het verzoek heeft Progaia het volgende ten grondslag gelegd. Progaia heeft schade geleden als gevolg van wanprestatie, dan wel onrechtmatig handelen, dan wel het onrechtmatig afbreken van onderhandelingen door Talend. Progaia overweegt daarom een procedure te starten tegen Talend om schadevergoeding te vorderen. Tijdens het gesprek van 10 februari 2023 is tussen partijen afgesproken dat voor bestaande klanten van Progaia een zogenaamde Short Reseller Agreement (hierna: SRA) gesloten kon worden. Op grond van deze SRA’s zou Progaia de support en licentie van de software van Talend aan haar bestaande klanten kunnen blijven leveren. De duur van deze SRA’s zou één jaar zijn, met een jaarlijkse optie tot verlenging. Ook hebben partijen afgesproken dat Progaia een SRA krijgt voor de Roll Group, wanneer zij deze als klant kan binnenhalen. Talend heeft ondanks haar toezeggingen daartoe op 10 februari 2023 geweigerd SRA’s te sluiten. Daarnaast benadert Talend rechtstreeks klanten van Progaia en probeert hen actief over te halen om over te stappen naar CIMT, de nieuwe samenwerkingspartner van Talend.
3.3.
Talend verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. Talend betwist dat zij concrete toezeggingen heeft gedaan om SRA’s te sluiten voor bestaande klanten van Progaia. Dit strookt ook niet met het feit dat zij eind januari 2023 de VAR heeft opgezegd. Progaia heeft van het gesprek van 10 februari 2023, waarbij volgens haar de toezeggingen door Talend zijn gedaan, een geluidsopname gemaakt. Aangezien Progaia over deze geluidsopname beschikt, is een voorlopig getuigenverhoor onnodig. Er is immers al bewijsmateriaal voorhanden dat uitsluitsel kan geven over eventuele toezeggingen van Talend. Progaia heeft tot nu toe geweigerd deze opname met Talend te delen, ondanks verzoeken daartoe van Talend.

4.De beoordeling

4.1.
Het wettelijk uitgangspunt staat in artikel 186 Rv Pro en dat is dat in gevallen waarin getuigenbewijs is toegelaten een voorlopig getuigenverhoor wordt bevolen als een belanghebbende daarom verzoekt. Dan moet wel aan bepaalde voorwaarden zijn voldaan. Die voorwaarden staan in artikel 187 lid 3 Rv Pro en hebben te maken met de inhoud van het verzoekschrift en met het doel van het voorlopig getuigenverhoor. In het verzoekschrift moet de verzoeker duidelijk vermelden waar de zaak globaal om gaat, wat hij vordert of wil vorderen, welke feiten hij wil bewijzen en wie de getuigen zijn. Vooral wat hij wil bewijzen moet voldoende duidelijk zijn voor de betrokken rechter(s) en de wederpartij. Ook moet duidelijk genoeg zijn wat de getuigen daarover kunnen verklaren. Heel gedetailleerd hoeft de verzoeker niet te zijn, omdat een voorlopig getuigenverhoor nu juist dient om onduidelijkheden op te helderen en om degene die om zo’n verhoor verzoekt in staat te stellen te beoordelen of het zinvol is een voorgenomen vordering in te stellen.
4.2.
Als aan de formele eisen van het verzoekschrift is voldaan, kan de rechter het verzoek toch afwijzen. Dat kan als de verzoeker misbruik maakt van de bevoegdheid om een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken (artikel 3:13 BW Pro). Daarvan kan sprake zijn als het belang van de verzoeker veel minder zwaarwegend is dan het belang van de wederpartij bij het niet houden van een voorlopig getuigenverhoor. Ook kan het verzoek in strijd zijn met de eisen van een goede procesorde, bijvoorbeeld omdat het verzoek wordt gedaan op een moment dat het houden van een voorlopig getuigenverhoor een lopende procedure te veel doorkruist. De rechter kan ook oordelen dat er een andere, zwaarwegende reden is om het verzoek toch af te wijzen. Daarnaast kan van de bevoegdheid om een voorlopig getuigenverhoor te vragen geen gebruik worden gemaakt, als de verzoeker onvoldoende belang heeft bij toewijzing van het verzoek (artikel 3:303 BW Pro).
4.3.
Het verzoek voldoet aan de vereisten voor toewijzing. Het gaat om betwiste feiten, die zich lenen voor getuigenbewijs en die relevant zijn voor de beoordeling van de vordering van Progaia in een bodemzaak. Ten slotte staat niet ter discussie dat aan de overige vereisten uit artikel 187 lid 3 Rv Pro is voldaan.
4.4.
Aangezien het verzoek aan de eisen voor toewijzing voldoet, moet het in beginsel worden toegewezen, tenzij sprake is van een afwijzingsgrond.
4.5.
Talend voert aan dat Progaia geen belang heeft bij getuigenverhoren, omdat zij al beschikt over een bandopname van het gesprek van 10 februari 2023.
4.6.
Dit verweer slaagt niet. Progaia heeft voldoende belang bij haar verzoek. In reactie op het verweer van Talend heeft Progaia erop gewezen dat de geluidsopname geen context bevat. Volgens Progaia is datgene wat te horen is op de opname daarom voor interpretatie vatbaar en kan Talend hier mogelijk een bepaalde draai aan geven in een procedure. Gelet op het gebrek aan context bij de geluidsopname heeft Progaia wel belang bij het horen van getuigen. Bovendien ziet het verzoek van Progaia niet alleen op het gesprek van 10 februari 2023. Progaia heeft gevraagd negen getuigen te doen horen, waaronder ook andere personen dan degenen die aanwezig waren bij het gesprek van 10 februari 2023. Progaia wil niet alleen bewijs verzamelen over de vermeende toezeggingen, maar ook over het benaderen van haar klanten door Talend en CIMT. Een aantal van de getuigen die zij wil laten horen, kan hierover verklaren.
4.7.
Nu de ingeroepen afwijzingsgrond niet slaagt, wijst de rechtbank het verzoek toe.
4.8.
Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld ten minste 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, moeten ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank worden opgegeven.
4.9.
Omdat de advocaat van Talend al in het bezit is van het verzoekschrift en een afschrift van deze beschikking ontvangt, is Progaia niet gehouden Talend een afschrift van deze stukken te verstrekken.
4.10.
Partijen moeten erop voorbereid zijn dat de rechter na afloop van de getuigenverhoren op diezelfde zitting kan bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen. Een rechtspersoon moet ter zitting vertegenwoordigd zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is tot vertegenwoordiging.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
beveelt een voorlopig getuigenverhoor,
5.2.
benoemt mr. C.J.M. In 't Veld-Vernooij tot rechter-commissaris, die zich door een ander lid van de rechtbank kan laten vervangen,
5.3.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw te Amsterdam, Parnassusweg 280, op
15 augustus 2024om
9.30 uur,
5.4.
bepaalt dat de advocaat van Progaia voor de oproeping van de getuigen zorgt,
5.5.
verzoekt de advocaat van Progaia het oproepingsschema (met de namen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen) een week voor de zittingsdatum aan de rechtbank en aan de wederpartij toe te zenden.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.W. Bockwinkel, rechter, bijgestaan door
mr. J.M. Eisenhardt, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2024.