Eiser, een boerderijhouder, en gedaagde kwamen begin 2020 met elkaar in contact toen gedaagde als vrijwilliger werkzaamheden verrichtte op het bedrijf van eiser. Gedaagde werkte onbetaald mee in een boerderijwinkel die op het terrein van eiser werd gebouwd, waarvan eiser de kosten droeg.
Eiser stelde dat tussen partijen een duurovereenkomst bestond waarbij gedaagde onbetaald de winkel zou exploiteren totdat de investering van eiser was terugverdiend. Gedaagde betwistte dit en stelde dat zij behoefte had aan een vast inkomen en dat zij nooit akkoord was gegaan met een dergelijke afspraak.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende is komen vast te staan dat gedaagde instemde met het voorstel om onbetaald te blijven werken totdat de investering was terugverdiend. Ook de redelijkheid en billijkheid verzetten zich tegen een dergelijke verplichting. Daarom is geen sprake van tekortkoming door gedaagde en wordt de vordering van eiser afgewezen.
Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten, die worden begroot op € 3.907,00, te vermeerderen met wettelijke rente en kosten van betekening bij niet-tijdige betaling. Het vonnis is gewezen door rechter B.M. Visser en uitgesproken op 29 mei 2024.