ECLI:NL:RBAMS:2024:3520

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 april 2024
Publicatiedatum
12 juni 2024
Zaaknummer
13-118646-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • M.E.M. James - Pater
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 14 OLWArt. 29 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming verkorte overlevering aan Duitsland ondanks lopende betalingsregeling

De rechtbank Amsterdam behandelde op 17 april 2024 een verzoek tot verkorte overlevering van een verdachte aan de Bondsrepubliek Duitsland. De verdachte stemde in met onmiddellijke overlevering op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd wegens een strafrechtelijk onderzoek in Duitsland.

De rechtbank onderzocht de identiteit van de verdachte en bevestigde dat deze correct was vastgesteld. De verdediging en het Openbaar Ministerie stelden dat er geen beletselen waren voor overlevering. Hoewel artikel 40 lid 2 van Pro de Overleveringswet (OLW) dwingend lijkt, oordeelde de rechtbank dat in samenhang met artikel 36 OLW Pro, een lopende betalingsregeling voor een geldboete geen beletsel vormt voor verkorte overlevering.

De Duitse autoriteiten gaven garanties dat, indien de verdachte in Duitsland wordt veroordeeld tot een vrijheidsstraf, deze ten uitvoerlegging in Nederland zal plaatsvinden. De rechtbank achtte deze garanties voldoende en besloot de overlevering toe te staan onder de algemene bedingen van de OLW en het Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Tegen deze beschikking staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de verkorte overlevering van de verdachte aan Duitsland toe ondanks een lopende betalingsregeling voor een geldboete.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Internationale rechtshulpkamer

Parketnummer: 13-118646-24
Beslissing ex artikel 40 Overleveringswet Pro
Naar aanleiding van de verklaring van de opgeëiste persoon ten overstaan van de raadkamer dat hij instemt met zijn onmiddellijke overlevering als verzocht in het ten aanzien van hem uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op
6 maart 2024 door het
Amtsgericht Münster, Bondsrepubliek Duitsland (hierna de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De opgeëiste persoon is gehoord in raadkamer op 17 april 2024. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, advocaat te Amsterdam.
Het Openbaar Ministerie is vertegenwoordigd door mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft in raadkamer verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel door het
Amtsgericht Münster
d.d. 4 maart 2024 met referentie 23 Gs 1475/24.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4.Verklaring van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon laat desgevraagd weten dat hij begrijpt wat zijn verklaring inhoudt en dat deze onomkeerbaar is. De opgeëiste persoon verklaart dat hij instemt met onmiddellijke overlevering aan Bondsrepubliek Duitsland.

5.Standpunten van de raadsvrouw en de officier van justitie.

De raadsvrouw en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat er geen weigeringsgronden of beletselen zijn die aan de overlevering van de opgeëiste persoon aan Bondsrepubliek Duitsland in de weg staan.
De rechtbank is van oordeel dat artikel 40, tweede lid en onder b, OLW niet aan overlevering in de weg staat. Hoewel de tekst van artikel 40, tweede lid, OLW (nu nog) dwingend geformuleerd is, legt de rechtbank deze bepaling uit in samenhang met het facultatieve kader van artikel 36 OLW Pro. Nu sprake is van een strafbeschikking terzake van een geldboete, waarvoor een betalingsregeling is getroffen, is de rechtbank van oordeel dat dit geen beletsel vormt voor verkorte overlevering.

6.Garanties en bedingen.

Terugkeergarantie
Bij brief van 25 maart 2024 heeft
Der Leitende Oberstaatsanwaltin Münster de volgende garantie gegeven:
“Verzekerd wordt dat de vervolgde persoon, in geval van een rechtsgeldige veroordeling in de Bondrepubliek Duitsland, op basis van de geldige lezing van het kaderbesluit 2008/909/JI van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel wordt opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging daarvan in de Europese Unie (..) voor de verdere tenuitvoerlegging naar Nederland zal worden overgedragen.”
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.
Algemene bedingen
De overlevering wordt niet toegestaan dan onder de algemene bedingen als bedoeld in artikel 14, eerste, tweede en vierde lid, OLW die overeenkomen met artikel 27, tweede en derde lid, en artikel 28, tweede en vierde lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Door in te stemmen met zijn verkorte overlevering verliest de opgeëiste persoon niet de bescherming van het specialiteitsbeginsel noch de bescherming tegen verdere overlevering of uitlevering, zoals bedoeld in de artikel 14 OLW Pro en de artikelen 27 en 28 van Kaderbesluit 2002/584/JBZ.

7.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, voor zover van toepassing in de verkorte procedure, en geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan voor de feiten zoals omschreven in onderdeel e) van het EAB.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 14 OLW.

9.Beslissing

Bepaalt dat
[opgeëiste persoon]ter beschikking zal worden gesteld van het
Amtsgericht Münster, Bondsrepubliek Duitsland.
Aldus gedaan door:
mr. M.E.M. James - Pater, rechter,
in tegenwoordigheid van S.C.M. Plat, griffier.
en uitgesproken in raadkamer van 17 april 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.