Eiseres diende een aanvraag in voor bijzondere bijstand voor rechtshulp, die het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aanvankelijk niet in behandeling nam wegens het ontbreken van gevraagde informatie. Na bezwaar trok het college het primaire besluit in, maar wees de aanvraag alsnog af omdat deze niet tijdig was ingediend na afgifte van de toevoeging door de Raad voor Rechtsbijstand.
De rechtbank oordeelde dat het college de procedure onduidelijk en in strijd met artikel 7:11, tweede lid, van de Awb had gevolgd door gesplitste besluitvorming toe te passen. Het besluit van 20 november 2023 om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren kon niet standhouden, omdat het bezwaar reeds met de besluiten van 8 november 2023 was behandeld.
Hoewel de afwijzing van de bijzondere bijstand inhoudelijk terecht was omdat eiseres niet binnen de gestelde termijn had aangevraagd, stelde de rechtbank vast dat het college te laat had beslist op het bezwaar. Hierdoor werd een dwangsom van €1.037,- opgelegd en moest het college het griffierecht vergoeden. De rechtsgevolgen van de afwijzing bleven echter in stand.