Op 22 maart 2024 heeft verdachte in Amsterdam geprobeerd [persoon] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem meermalen met kracht te schoppen, waaronder tegen het hoofd terwijl het slachtoffer op de grond lag. De rechtbank baseerde haar oordeel op camerabeelden en getuigenverklaringen die het opzettelijk karakter van het geweld bevestigen.
Verdachte voerde een beroep op noodweer en noodweerexces aan, stellende dat hij werd bedreigd met een schaar en met de dood, en dat hij zich niet kon terugtrekken. De rechtbank oordeelde echter dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding op het moment van het geweld en verwierp het verweer.
De rechtbank achtte bewezen dat verdachte zich schuldig maakte aan poging tot zware mishandeling en veroordeelde hem tot een gevangenisstraf van vier maanden, met aftrek van voorarrest. De straf is gebaseerd op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van verdachte.