Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2024:3600

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 juni 2024
Publicatiedatum
18 juni 2024
Zaaknummer
13/214462-19
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:31 SvArt. 77s SrArt. 77ta SrArt. 77aa SrArt. 1 Wet op de identificatieplicht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging PIJ-maatregel en voorwaardelijke beëindiging met bijzondere voorwaarden

De rechtbank Amsterdam behandelde op 18 juni 2024 de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de PIJ-maatregel van een jeugdige veroordeelde. De maatregel was eerder verlengd tot februari 2024. De officier van justitie wilde verlenging met drie maanden vanwege een incident tussen de veroordeelde en haar vriend, dat de evaluatie van het STP vertraagde.

De veroordeelde en haar raadsman stelden zich op het standpunt dat de maatregel niet verlengd moest worden, omdat zij positieve ontwikkelingen doormaakte, werk en school had, en de behandeling buiten de inrichting kon voortzetten. De psycholoog adviseerde aanvankelijk verlenging, maar wijzigde dit naar drie maanden na het incident. De reclassering adviseerde voorwaardelijke beëindiging vanwege het aanwezige maar beheersbare risico.

De rechtbank oordeelde dat de veiligheid en het belang van de ontwikkeling van de veroordeelde geen verlenging vereisten. De positieve ontwikkeling, de begeleiding in Arnhem en het actieve contact met de reclassering gaven voldoende vertrouwen. De maatregel werd per 7 juni 2024 voorwaardelijk beëindigd voor de duur van één jaar, met algemene en bijzondere voorwaarden, waaronder toezicht door de reclassering, behandeling, dagbesteding en gedragsvoorwaarden.

De bijzondere voorwaarden zijn gericht op het beheersen van het recidiverisico, het bevorderen van zelfstandigheid en het waarborgen van veiligheid. De veroordeelde heeft zich bereid getoond aan deze voorwaarden te voldoen. Bij het naleven van de voorwaarden zal de maatregel op 7 juni 2025 onvoorwaardelijk eindigen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel af en beëindigt de maatregel voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden per 7 juni 2024.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 13.214462.19
Beslissing op de op 18 april 2024 ter griffie van deze rechtbank ingekomen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak tegen:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,
wonende te: [adres] ,
die bij vonnis van deze rechtbank van 12 maart 2020 werd veroordeeld tot de maatregel van
plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna ook: de maatregel).
De PIJ-maatregel is laatstelijk bij beschikking van deze rechtbank van 5 februari 2024 voor de duur van vier maanden verlengd.
De inhoud van de vordering
De vordering van de officier van justitie strekt tot het verlengen van de termijn van de maatregel met drie maanden.
De procesgang
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:
  • het op 4 januari 2024 op grond van artikel 14 van Pro het Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994 uitgebrachte advies, strekkende tot verlenging van de PIJ-maatregel met zes maanden, alsmede de daarbij overgelegde aantekeningen;
  • de aanvullingsbrief van 6 maart 2024 op het voornoemde advies van 4 januari 2024;
  • het reclasseringsadvies van 28 mei 2024.
De rechtbank heeft op 5 februari 2024 de vordering in de raadkamer met gesloten deuren behandeld. Hiervan is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. Om deze reden zijn de standpunten van de partijen verkort weergegeven.
Verschenen en gehoord zijn:
  • [veroordeelde] , bijgestaan door haar raadsman, mr. J. Sietsma.
  • mr. M. Modder, de officier van justitie.
  • de deskundige [persoon 1] GZ-psycholoog, verbonden aan de RJJI ‘ [naam RJJI] ;
  • de deskundige [persoon 2] , reclasseringswerker;
  • de vader van [veroordeelde] ;
  • de vriend van [persoon 3] .
De standpunten
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot verlenging met drie maanden. Het incident tussen [veroordeelde] en haar vriend heeft gevolgen gehad voor het STP. Hierdoor heeft een evaluatie van het STP niet voor de volle vier maanden kunnen plaatsvinden. Daar komt bij dat [veroordeelde] nu relatief weinig stress ervaart en gekeken moet worden hoe zij zal reageren als dit verandert.
[veroordeelde] is het niet eens met een verlenging van de maatregel. Het gaat goed met haar en zij vindt dat een voorwaardelijke beëindiging passend is. [veroordeelde] heeft werk, gaat naar school en volgt haar behandeling. Alle nodige behandeling kan plaatsvinden buiten [naam RJJI] . Verblijf in [naam RJJI] is niet goed voor haar, gelet op de sfeer van de groep aldaar. Het contact met de reclassering is goed. [veroordeelde] houdt zich aan de afspraken met de reclassering en aan de afspraken in het kader van het STP. De reactie op het incident tussen [veroordeelde] en haar vriend is overdreven en niet nodig.
De raadsman heeft afwijzing van de vordering bepleit. In het belang van [veroordeelde] moet de maatregel voorwaardelijk worden beëindigd. [veroordeelde] heeft veel goede stappen gezet en het is in haar belang dat zij zich buiten [naam RJJI] gaat ontwikkelen en oefenen met haar verantwoordelijkheden. Gezien de stappen die [veroordeelde] heeft gezet is het belangrijk om richting haar vertrouwen uit te spreken. [naam RJJI] is geen goede plek meer voor haar.
De adviezen
De psycholoog heeft ter zitting het in het rapport genoemde advies gewijzigd naar een verlenging voor de duur van drie maanden. Er is eerder gezien dat het STP niet goed is verlopen en er worden nog risico’s gezien. Een verlenging van de maatregel geeft de mogelijkheid tot terugplaatsing in een vertrouwde omgeving waarbinnen hulp geboden kan worden.
De reclassering adviseert om de maatregel voorwaardelijk te beëindigen. Ook de reclassering ziet nog risico’s. Een eventuele terugplaatsing is echter niet bevorderlijk voor de ontwikkeling van [veroordeelde] . [veroordeelde] is open en zoekt actief contact als zij ergens hulp bij nodig heeft.
De beoordeling
Een PIJ-maatregel kan op grond van artikel 6:6:31 lid 3 Sv Pro juncto artikel 77s lid 1 sub b en c van het Wetboek van Strafrecht slechts verlengd worden indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging van die maatregel eist en de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de veroordeelde.
De rechtbank stelt vast dat er vlak na de vorige zitting een incident tussen [veroordeelde] en haar vriend heeft plaatsgevonden. Naar aanleiding van dit conflict is [veroordeelde] niet helemaal open geweest. Dit heeft aanleiding gegeven om het STP met vier weken uit te stellen. Gezien de genoemde zorgen ten aanzien van de relatie, waarvan [veroordeelde] heeft gezegd deze zorgen te erkennen, het verkorte STP en het incident op 8 februari jl., begrijpt de rechtbank de vordering tot verlenging van de maatregel. Daarentegen is de rechtbank niet overtuigd geraakt van de meerwaarde van een verlenging met drie maanden zoals door de psycholoog is geadviseerd. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
[veroordeelde] heeft, op het incident van 8 februari jl. na, al een langere tijd een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Zij verblijft bij [verblijfplaats] in Arnhem waar 24/7 begeleiding beschikbaar is en zij heeft voldoende dagbesteding in de vorm van school, werk en voetbal. [veroordeelde] heeft haar dagbesteding inmiddels al voor langere periode vast weten te houden. Het risico op recidive wordt door de psycholoog en de reclassering vooral gezien in de relatie met [persoon 3] . Hierover is [veroordeelde] met de reclassering Iriszorg in gesprek en zij heeft bij de reclassering te kennen gegeven dat zij openstaat voor relatietherapie. Ook hebben zij beiden tijdens de zitting goed kunnen uitleggen hoe kan worden voorkomen dat een discussie uit de hand loopt; de afspraak is dat één van de twee bij een discussie een rondje gaat lopen om af te koelen. De rechtbank ziet niet dat een eventuele terugplaatsing dit risico verder zal wegnemen. In het kader van de voorwaardelijke beëindiging zal er middels de bijzondere voorwaarden aandacht moeten zijn voor het blijvend verminderen van het matige recidiverisico.
[veroordeelde] heeft zich zeer gemotiveerd getoond en de rechtbank ziet voldoende aanleiding om haar het vertrouwen te geven om te laten zien dat zij de verantwoordelijkheid aankan en zij de positieve ontwikkeling buiten de kaders van het STP kan voortzetten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de veiligheid van anderen, de algemene veiligheid van personen of goederen, en het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [veroordeelde] , niet langer eisen dat de maatregel wordt verlengd. De rechtbank wijst daarom de vordering tot verlenging van de maatregel af.
De rechtbank stelt vast dat de maatregel van [veroordeelde] op 7 juni 2024 voorwaardelijk is beëindigd. Wanneer [veroordeelde] de ingezette positieve lijn in de periode van de voorwaardelijke beëindiging voortzet en zich houdt aan de gestelde voorwaarden, zal de maatregel onvoorwaardelijk eindigen op 7 juni 2025.
Bij de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel gelden van rechtswege op grond van artikel 77ta, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) de hierna in de beslissing genoemde algemene voorwaarden. De rechtbank vindt het noodzakelijk dat naast deze algemene voorwaarden ook de bijzondere voorwaarden zullen gelden, zoals geadviseerd door de reclassering. [veroordeelde] heeft tijdens de zitting van 4 juni 2024 te kennen gegeven dat zij zich hieraan wil houden. De rechtbank zal deze voorwaarden dan ook vastleggen in deze beschikking.
Beslissing
De rechtbank:
-
wijstde vordering van de officier van justitie
af;
stelt vast dat met ingang van 7 juni 2024 de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel voor de duur van één jaar gaat lopen;
- bepaalt dat gedurende dit jaar als bijzondere voorwaarden gelden:
1. [veroordeelde] werkt mee aan
het toezicht door de reclassering. Deze medewerking houdt onder andere in:
a. [veroordeelde] meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.
b. [veroordeelde] laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van [veroordeelde] vast te stellen.
c. [veroordeelde] houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om [veroordeelde] te helpen bij het naleven van de voorwaarden.
d. [veroordeelde] werkt mee aan huisbezoeken.
e. [veroordeelde] geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.
f. [veroordeelde] vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.
g. [veroordeelde] werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met [veroordeelde] , als dat van belang is voor het toezicht.
2. [veroordeelde] gaat
niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
3. [veroordeelde] laat zich
behandelen door Iriszorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling is reeds gestart en zal nog enige tijd doorlopen. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. [veroordeelde] houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
En [veroordeelde] laat zich
behandelen door Kairos of soortgelijke zorgverlener in het kader van relatietherapie. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
4. [veroordeelde]
verblijft in [verblijfplaats] in Arnhem, of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang,te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Het verblijf is reeds gestart en loopt door bij [verblijfplaats] . Het doel van de komende periode is dat [veroordeelde] zelfstandig zal gaan uitstromen en actief zoekt naar vervolgplekken, dit in overleg met de reclassering. [veroordeelde] houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
5. [veroordeelde] heeft
minimaal 26 uur per week zinvolle dagbesteding (school en werk)op een door de reclassering goed gekeurde plek. [veroordeelde] verandert niet van dagbesteding zonder toestemming van de reclassering.
6. [veroordeelde] werkt mee aan
controle van het gebruik van drugs om het middelengebruikte beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak [veroordeelde] wordt gecontroleerd.
Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat [veroordeelde] :
7. zich voor het einde van de voorwaardelijke beëindiging niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
8. ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit haar medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet Pro op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
9. haar medewerking zal verlenen aan het door de reclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zo lang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Geeft opdracht aan de
Reclassering Nederlandtot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en [veroordeelde] ten behoeve daarvan te begeleiden.
Deze beschikking is gegeven in openbare raadkamer van deze rechtbank door
mr. I.M. Nusselder, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. C.P. Bleeker en A. van Luijck, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. van Amelsvoort, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 juni 2024.