De rechtbank Amsterdam heeft op 27 juni 2024 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van het opzettelijk niet betalen van loonheffing over de tijdvakken januari 2015 tot en met december 2017 en het niet verstrekken van inlichtingen. Verdachte was feitelijk leidinggever van een bedrijf dat de loonheffing niet betaalde, waarbij ruim €190.000 aan belastingen onbetaald bleef.
Tijdens de zittingen op 18 april en 13 juni 2024, en mede op basis van de politierechterzitting van 14 december 2022, werd vastgesteld dat verdachte bewust de keuze maakte om binnenkomende gelden niet te gebruiken voor belastingbetaling. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte feitelijke leiding gaf aan het niet betalen van de loonheffing tot 19 september 2022. Het niet verstrekken van inlichtingen werd niet bewezen verklaard, omdat de verzoeken niet tot informatieverplichtingen voor het bedrijf leidden.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek om uitstel van betaling voor het tijdvak november 2017 tijdig was gedaan, waardoor het niet betalen in dat tijdvak niet strafbaar was. Voor de overige tijdvakken bleef de strafbaarheid bestaan. De rechtbank legde een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden op, met een proeftijd van twee jaar, rekening houdend met het benadelingsbedrag, het tijdsverloop en de verblijfplaats van verdachte in Engeland.
De rechtbank sprak verdachte vrij van het niet verstrekken van inlichtingen en verklaarde het overige bewezen verklaarde strafbaar. De straf wordt niet ten uitvoer gelegd tenzij binnen de proeftijd opnieuw een strafbaar feit wordt gepleegd.