ECLI:NL:RBAMS:2024:3843

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 juni 2024
Publicatiedatum
28 juni 2024
Zaaknummer
10910850 \ CV EXPL 24-1176
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 6:136 BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling geldlening van 5000 euro via WhatsApp-overeenkomst

Partijen sloten op 3 april 2023 via WhatsApp een geldleningsovereenkomst waarbij de gedaagde een bedrag van 5000 euro leende van de eiser, met terugbetaling uiterlijk 1 augustus 2023. De gedaagde had eerder de scooter van de eiser verkocht en de lening overgenomen, waarbij 500 euro als rente werd afgesproken.

De gedaagde vroeg uitstel van twee weken voor terugbetaling, waarop de eiser akkoord ging. Daarnaast werd overeengekomen dat de gedaagde werkzaamheden kon verrichten bij een derde om zijn schuld te verminderen. Een deel van deze werkzaamheden werd betaald aan de eiser.

De eiser stelde de gedaagde in gebreke en vorderde betaling van 3000 euro plus rente en buitengerechtelijke kosten. De gedaagde erkende een deel van de vordering en voerde verweer met verrekening van de schuld met de werkzaamheden bij de derde.

De kantonrechter oordeelde dat verrekening mogelijk was overeengekomen, maar dat de gedaagde onvoldoende had gesteld om vast te stellen dat hij een vordering op de derde had die hij kon verrekenen. Daarom werd de vordering toegewezen met wettelijke rente vanaf 1 augustus 2023 en buitengerechtelijke kosten. De proceskosten werden aan de gedaagde opgelegd.

Uitkomst: De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 3.000,- plus wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10910850 \ CV EXPL 24-1176
Vonnis van 25 juni 2024
in de zaak van
[eisende partij],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: [naam 3] ,
tegen
[gedaagde partij],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 januari 2024 met producties;
- het proces-verbaal van het mondeling antwoord van [gedaagde partij] ;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek met bijlagen;
- de akte uitlating bijlagen van [eisende partij] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:
2.2.
Op 3 april 2023 hebben partijen via Whatsapp een overeenkomst tot geldlening gesloten. Partijen hebben hiervoor de volgende overeenkomst, die door [gedaagde partij] via zijn telefoon is ondertekend, gesloten:
“Hierbij een overeenkomst tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] . Dat [gedaagde partij] een lening van 5000 euro afsluit en terug betaald moet zijn voor 1 augustus 2023 opgemaakt Amstelveen 3 april 2023”
2.3.
[eisende partij] heeft op enig moment (naar de kantonrechter aanneemt: vóór 3 april 2023) zijn scooter in consignatie laten verkopen door [gedaagde partij] . [gedaagde partij] heeft de scooter verkocht voor € 5.500,-. De koper van de scooter had een lening uitstaan aan [gedaagde partij] van hetzelfde bedrag. [eisende partij] en [gedaagde partij] zijn vervolgens overeengekomen dat [eisende partij] deze lening overnam en dat de extra € 500,- als rente zou dienen.
2.4.
Op 1 augustus 2023 heeft [gedaagde partij] verzocht of hij twee weken uitstel mocht voor de terugbetaling van de lening. [eisende partij] is hier mee akkoord gegaan.
2.5.
Op enig moment heeft [eisende partij] aan [gedaagde partij] via Whatsapp aangegeven dat [gedaagde partij] bij een vriend van hem, de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ), werkzaamheden kon doen, om daarmee zijn schuld af te lossen. [eisende partij] stuurde het volgende bericht:
“Heb klusjesman nodig voor van allerlei aanhelingen, tegeltje, vloeren, sloop evt keuken plaatsen..
[naam 2] belt je, mag je evt verreken met mijn bonnetje”
2.6.
[naam 1] heeft een bedrag van € 2.500,- uit hoofde van de kluswerkzaamheden van [gedaagde partij] overgemaakt aan [eisende partij] .
2.7.
Op 2 oktober 2023 heeft de gemachtigde van [eisende partij] [gedaagde partij] in gebreke gesteld en gesommeerd om € 3.000,- aan openstaande geldlening terug te betalen, vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten en rente.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert dat [gedaagde partij] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
€ 3.000,00 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2023 tot de dag der algehele voldoening;
€ 514,25 aan buitengerechtelijke kosten;
de proceskosten.
3.2.
[eisende partij] legt aan zijn vordering ten grondslag dat tussen partijen een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen, waarvan een bedrag van € 3.000,- nog open staat. Nu [gedaagde partij] zijn verplichting uit de geldleningsovereenkomst niet nakomt, is er sprake van wanprestatie.
3.3.
[gedaagde partij] erkent de vordering deels tot een bedrag van € 1.250,-. Voor het overige voert [gedaagde partij] verweer tegen de vordering. [gedaagde partij] legt – kort gezegd – aan zijn verweer ten grondslag dat hij de vordering van [eisende partij] kan verrekenen met de vordering ter zake van kluswerkzaamheden die hij bij [naam 1] heeft uitgevoerd.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen staat vast dat zij een geldleningsovereenkomst hebben gesloten waarbij [eisende partij] een bedrag van € 5.000,- (te verhogen met € 500,00 aan rente) aan [gedaagde partij] heeft uitgeleend, waarvan nog een bedrag van € 3.000,- open staat. [gedaagde partij] erkent de vordering deels tot een bedrag van € 1.250,-. Dit deel van de vordering zal derhalve reeds worden toegewezen. Partijen hebben echter discussie over de vraag of het resterende bedrag aan hoofdsom nog moet worden terugbetaald.
Verrekening
4.2.
[gedaagde partij] stelt dat afgesproken was dat hij zijn schuld bij [eisende partij] mag verrekenen met de kluswerkzaamheden die hij bij [naam 1] heeft uitgevoerd. [eisende partij] heeft niks meer te vorderen, omdat de gemaakte kosten van [gedaagde partij] nog veel hoger zijn dan het bedrag wat hij nu vordert. [eisende partij] erkent bij repliek dat deze afspraak is gemaakt, maar stelt dat [gedaagde partij] deze kluswerkzaamheden niet heeft uitgevoerd, althans niet voor hem, zodat [gedaagde partij] niet kan verrekenen. Het feit dat de [gedaagde partij] een geschil met [naam 1] heeft omtrent de betalingen voor de kluswerkzaamheden, gaat buiten [eisende partij] om, aldus [eisende partij] .
4.3.
De kantonrechter overweegt dat het in beginsel mogelijk is dat partijen overeenkomen dat de schuldenaar bevoegd is zijn schuld aan de schuldeiser te verrekenen met een vordering die hij op een derde heeft. Dat is in dit geval ook zo afgesproken tussen partijen. De kantonrechter stelt vast dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde partij] zijn schuld bij [eisende partij] mocht verrekenen met kluswerkzaamheden voor [naam 1] . Bij repliek betwist [eisende partij] deze afspraak namelijk niet en dit volgt ook uit het in rechtsoverweging 2.5 geciteerde Whatsappbericht van [eisende partij] .
4.4.
De kantonrechter overweegt dat het op grond van artikel 6:136 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) mogelijk is om een vordering, ondanks een beroep op verrekening, toe te wijzen, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is. Dat is hier het geval. Uit de door [gedaagde partij] zelf overgelegde Whatsappgesprekken blijkt dat er discussie is tussen hem en [naam 1] over de uitgevoerde kluswerkzaamheden en betalingen. De vraag of [gedaagde partij] nog kluswerkzaamheden kan verrekenen en zo ja, tot welk bedrag, hangt af van het geschil tussen [gedaagde partij] en [naam 1] . De uitkomst daarvan kan niet op eenvoudige wijze worden vastgesteld in deze procedure. [gedaagde partij] heeft onvoldoende gesteld om te kunnen vaststellen wat voor vordering hij op [naam 1] heeft die hij vervolgens kan verrekenen met [eisende partij] . Gelet op voorgaande passeert de kantonrechter het beroep op verrekening.
4.5.
De kantonrechter merkt ten overvloede op dat als [gedaagde partij] van mening is dat hij een vordering heeft op [naam 1] , hij daarvoor een aparte procedure kan beginnen tegen [naam 1] .
Wettelijke rente
4.6.
De kantonrechter wijst de wettelijke rente toe op grond van artikel 6:119 BW Pro vanaf 1 augustus 2023, omdat [gedaagde partij] daartegen geen nader verweer heeft gevoerd. Voor zover [eisende partij] de wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW vordert, wijst de kantonrechter dat af. Eisende partij heeft onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat tussen partijen een handelsovereenkomst is gesloten.
Buitengerechtelijke kosten
4.7.
[eisende partij] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. Daarom wordt € 514,25 toegewezen.
Proceskosten
4.8.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
137,38
- griffierecht
248,00
- salaris gemachtigde
595,00
(2,50 punten × € 238,00)
- nakosten
68,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.048,38

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling aan [eisende partij] van:
  • € 3.000,- aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2023 tot de dag der algehele voldoening;
  • € 514,25 (incl. btw) aan buitengerechtelijke kosten;
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.048,38, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.H.I. Hoestra op 25 juni 2024.