ECLI:NL:RBAMS:2024:4096

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 juli 2024
Publicatiedatum
10 juli 2024
Zaaknummer
13/089199-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 157 SrArt. 289 SrArt. 1 UitvoeringswetArt. 3 UitvoeringswetArt. 5 Uitvoeringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Nederland aan Verenigd Koninkrijk ondanks detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde op 26 juni 2024 de vordering tot overlevering van een verdachte aan het Verenigd Koninkrijk op grond van een Europees aanhoudingsbevel van 6 maart 2024. De verdachte, met de Nederlandse nationaliteit, wordt verdacht van ernstige strafbare feiten waaronder moord en opzettelijk brandstichten. De rechtbank heeft de identiteit van de verdachte bevestigd en de juridische voorwaarden voor overlevering getoetst.

De rechtbank stelde vast dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn en dat de overlevering kan worden toegestaan mits garanties worden gegeven dat de opgelegde straf in Nederland kan worden uitgezeten. De Britse autoriteiten gaven dergelijke garanties, waaronder dat de verdachte na veroordeling zo spoedig mogelijk naar Nederland zal worden teruggebracht.

Hoewel eerdere uitspraken wezen op onmenselijke detentieomstandigheden in de Britse gevangenissen HMP Bedford en HMP Winchester, concludeerde de rechtbank op basis van recente informatie dat de verdachte waarschijnlijk zal worden geplaatst in HMP Dovegate. Uit onderzoek bleek geen reëel gevaar voor schending van grondrechten in deze inrichting. De rechtbank oordeelde dat de detentieomstandigheden geen beletsel vormen voor overlevering.

De rechtbank nam ook kennis van de mogelijkheid tot vervroegde invrijheidsstelling bij levenslange gevangenisstraffen in het Verenigd Koninkrijk en zag geen noodzaak voor aanvullende garanties. Gezien het voldoen aan alle wettelijke vereisten en het ontbreken van weigeringsgronden, werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan het Verenigd Koninkrijk toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/089199-24
Datum uitspraak: 10 juli 2024
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 3 Uitvoeringswet Pro Handels- en Samenwerkingsovereenkomst
EU – VK Justitie en Veiligheid (Uitvoeringswet) juncto artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank.
Deze vordering dateert van 1 mei 2024 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Aanhoudingsbevel (AB) als bedoeld in artikel 598 van Pro de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (HSO).
Dit AB is uitgevaardigd op 6 maart 2024 door
the Birmingham Magistrates’ Court(Verenigd Koninkrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de [detentieplaats]
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 juni 2024. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. W.H.R. Hogewind. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Engelse taal.
Op grond van artikel 3 Uitvoeringswet Pro jo. artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het AB

In het AB wordt melding gemaakt van
een first instance warrant issued by District Judge Kevin Grego on 31-01-2024.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van het Verenigde Koninkrijk ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van het Verenigd Koninkrijk strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het AB.

4.Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

Het Verenigd Koninkrijk heeft de kennisgeving als bedoeld in artikel 599, vierde lid, van de HSO niet gedaan. [1] Toetsing van de dubbele strafbaarheid conform artikel 599, tweede lid, HSO kan dus niet achterwege blijven.
Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 599, eerste en tweede lid, HSO zijn opgenomen.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
-
moord;
-
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

5. De garantie als bedoeld in artikel 5 Uitvoeringswet Pro jo. artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Gelet op artikel 5 Uitvoeringswet Pro jo. artikel 6 OLW Pro kan zijn overlevering daarom worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 Verdrag Pro inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) zal kunnen worden omgezet.
Namens de
Secretary of Stateis bij brief van 20 mei 2024 de volgende garantie gegeven:
"In accordance with the procedure under Article 604(b) of Title VII (Surrender) of the UK-EU Trade and Cooperation Agreement between the European Union and the United Kingdom you have requested that [opgeëiste persoon] (DoB: [geboortedag] 1993) be returned to Netherland to serve any custodial sentence which is imposed by a UK court in relation to the conduct for which his surrender to the UK from Netherlands has been sought.
The UK undertakes that should [opgeëiste persoon] receive a custodial sentence in the UK,
he will, in accordance with section 153C of the Extradition Act 2003, be returned to Netherlands as soon as is reasonably practicable after the sentencing process in the UK has been completed,unless concrete grounds relating to
his rights of defense or to the proper administration of justice make his presence in the UK essential pending a definitive decision on any procedural step coming within the scope of the criminal proceedings relating to the offence underlying the Trade and Cooperation Agreement. Such procedural steps may include:
(a) The exhaustion of any available avenues of appeal;
(b) Consideration of confiscation; and
(c) The procedure for setting any period of imprisonment which will fall to be
served in default of payment of any financial penalty.
Please note that the return of [opgeëiste persoon] to Netherlands will be facilitated under the Additional Protocol to the 1983 Council of Europe Convention on
the Transfer of Sentenced Persons. Full details of any sentence imposed on [opgeëiste persoon] will be provided when he is returned to Netherlands."
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.
Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e, VOGP volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. Aan deze voorwaarde is voldaan.

6.Detentieomstandigheden (artikel 604, aanhef en onder c, HSO)

Inleiding

De rechtbank heeft in andere uitspraken vastgesteld dat voor gedetineerden in de penitentiaire inrichtingen HMP Bedford en HMP Winchester een reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
De Britse autoriteiten hebben bij brief van mei 2024 op verzoek van de officier van justitie meegedeeld:
“You have asked where it is most likely that Mr. Karshe will be placed. The TaCA warrant was issued by Birmingham Magistrates’ Court, and it is likely that a trial would take place at a nearby court in the area. It is usual practice to make efforts to accommodate suspects close to the location of their trial and it is therefore most likely that Mr. [opgeëiste persoon] would be held at HMP Dovegate.”
Standpunt van de raadsman
De Britse autoriteiten hebben met de brief van mei 2024 onvoldoende gegarandeerd dat de opgeëiste persoon niet in de penitentiaire instellingen in Bedford en Winchester zal worden geplaatst. Deze instellingen zijn namelijk niet op grote afstand van Birmingham. Gelet hierop moet de overlevering worden geweigerd. Mocht de rechtbank deze opvatting niet delen, dan zou in ieder geval een duidelijke garantie moeten worden gevraagd dat de opgeëiste persoon wordt geplaatst in een penitentiaire instelling, waarin geen sprake is van grondrechtenschendingen.
Verder is ten aanzien van de penitentiaire instelling in Dovegate een artikel op internet van 8 januari 2024 (
HMP Dovegate 'failing to provide inmates with enough to do' (bbc.com)) van belang. Daaruit volgt dat sprake is van een recente toename van geweld en drugs in die instelling. De opgeëiste persoon maakt zich zorgen om zijn veiligheid. Hij zal tijdens de strafzaak met zijn gezicht in de media komen en heeft vernomen dat je op je hoede moet zijn in de detentie-instelling.
Standpunt van de officier van justitie
Uit de verklaring van de Britse autoriteiten in de brief van mei 2024 volgt dat de opgeëiste persoon ‘most likely’ in HMP Dovegate zal worden geplaatst. Daar moet dan ook van uit worden gegaan. Ten aanzien van die detentie-instelling is geen sprake van een reëel gevaar van schending van grondrechten. Wat de raadsman over die instelling heeft aangevoerd, is onvoldoende om een dergelijk reëel gevaar aan te nemen.
Oordeel van de rechtbank
Gelet op de verklaring van de Britse autoriteiten in de brief van mei 2024 gaat de rechtbank ervan uit dat de opgeëiste persoon hoogstwaarschijnlijk zal worden geplaatst in HMP Dovegate. Op de vraag ‘
where it ismost likelythat Mr. [opgeëiste persoon] will be placed” heeft de Director General of Operations van HM Prison & Probation Services geantwoord dat
it is therefore most likely that Mr. [opgeëiste persoon] would be held at HMP Dovegate.In beginsel moet de rechtbank vertrouwen op de door de Britse autoriteiten verstrekte informatie. Wat de raadsman heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding dit uitgangspunt te verlaten.
Dit betekent dat het vastgestelde reële gevaar voor gedetineerden in de penitentiaire inrichtingen HMP Bedford en HMP Winchester niet in de weg staat aan de overlevering van de opgeëiste persoon en dat de rechtbank in deze zaak (alleen) de detentieomstandigheden in de penitentiaire inrichting HMP Dovegate dient te onderzoeken.
De rechtbank concludeert dat er – afgezet tegen de jurisprudentie van het Hof van Justitie [2] – geen sprake is van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens op grond waarvan kan worden geoordeeld dat er een algemeen reëel gevaar bestaat dat personen die in de penitentiaire inrichting HMP Dovegate zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld. Wat de raadsman heeft aangevoerd is onvoldoende om een dergelijk algemeen reëel gevaar aan te nemen. Er is dus geen grond om een algemeen gevaar op schending van grondrechten aan te nemen.
Dit betekent dat er geen aanleiding is om de tweede stap te zetten – zoals bedoeld in de voorgeschreven twee-stappen toets die volgt uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie – en er dus geen ruimte is voor een beoordeling van het individuele risico.
Ook een beoordeling van het risico dat de opgeëiste persoon loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling op basis van de rechtspraak van het EHRM leidt tot de conclusie dat niet is gebleken dat van een dergelijk reëel risico.
De conclusie is dan ook dat de detentieomstandigheden niet in de weg staan aan overlevering.

7.Levenslange gevangenisstraf (artikel 604, aanhef en onder a, HSO)

Ten aanzien van de feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht, kan naar het recht van het Verenigd Koninkrijk een levenslange gevangenisstraf worden opgelegd.
In het AB onder h) heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit hierover de volgende informatie opgenomen:
“the issuing State will upon request by the executing State give an assurance that it will
[X] review the penalty or measure imposed – on request or at least after 20 years
and/or
[X] encourage the application of measures of clemency to which the person is entitled to apply for under the law or practice of the issuing State, aiming at a non-execution of such penalty or measure.”
Bovenstaande informatie brengt met mee dat in het Verenigd Koninkrijk de mogelijkheid bestaat tot vervroegde invrijheidsstelling bij veroordeling tot een levenslange gevangenisstraf, op verzoek of ten minste na twintig jaar. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding de overlevering afhankelijk te maken van een garantie als bedoeld in artikel 604 aanhef Pro en onder a, HSO.

8.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het AB voldoet aan de eisen van artikel 606 HSO Pro en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 157 en 289 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1, 3 en 5 Uitvoeringswet..

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Birmingham Magistrates’ Court(Verenigd Koninkrijk).
Deze uitspraak is gedaan door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter,
mrs. A.J.R.M. Vermolen en M.C. Danel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 juli 2024.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, Uitvoeringswet juncto artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie rechtbank Amsterdam, 2 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6353
2.Zie het arrest van het Hof van Justitie van 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru).