ECLI:NL:RBAMS:2024:4332

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 juli 2024
Publicatiedatum
17 juli 2024
Zaaknummer
81235079-21
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.2 WaterwetArt. 4.1 HavenverordeningArt. 4.2 HavenverordeningArtikel 2 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring OM wegens strafrechtelijke immuniteit gemeente bij vergunningverlening havenwerkzaamheden

De rechtbank Amsterdam behandelde op 2 juli 2024 een zaak tegen een gemeente die werd verdacht van medeplegen van het illegaal lozen van verfschilfers, houtsplinters en isolatiemateriaal in de haven van een plaats, zonder de vereiste vergunning van Rijkswaterstaat. De gemeente had toestemming verleend aan een bedrijf voor sloopwerkzaamheden aan een schip in de haven, waarbij geen vergunning voor het lozen was aangevraagd.

Het Openbaar Ministerie stelde zich ontvankelijk op, stellende dat de gemeente zich een bevoegdheid had toegeëigend die haar niet toekwam, waardoor strafrechtelijke immuniteit niet van toepassing zou zijn. De verdediging voerde aan dat de gemeente strafrechtelijke immuniteit geniet bij de uitvoering van exclusieve bestuurstaken.

De rechtbank oordeelde dat de toestemming voor de werkzaamheden was verleend op grond van de Havenverordening, een exclusieve bestuurstaak van de gemeente. De strafrechtelijke immuniteit wordt alleen doorbroken bij strijd met artikel 2 EVRM Pro, wat hier niet het geval was. Daarom verklaarde de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de gemeente.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de gemeente wegens strafrechtelijke immuniteit.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81/235079-21
Datum uitspraak: 2 juli 2024
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
gevestigd op [adres] ,
ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] ,
vertegenwoordigd door:
[persoon 1] ,
geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna: [persoon 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 juli 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H.H.M. Beune, en van wat de vertegenwoordiger van verdachte en haar raadsman, mr. D.J.P. van Barneveld, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat zij zich in de periode van 10 maart 2020 tot en met 31 maart 2020 heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van opzettelijk brengen van verfschilfers, houtsplinters en/of kleine delen isolatiemateriaal in de haven van [plaats] , terwijl daartoe geen vergunning of vrijstelling was verleend (artikel 6.2 Waterwet). Subsidiair is medeplichtigheid aan deze handelingen tenlastegelegd.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Inleiding

Bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) kwam op 27 maart 2020 een e-mail binnen waarin werd gemeld dat een schip, de [naam schip] , in de werkhaven van [plaats] snel en stilletjes werd gesloopt. Ook Rijkswaterstaat ontving een (anonieme) melding over sloop van de [naam schip] . Op 28 maart 2020 gingen een buitengewoon opsporingsambtenaar en een toezichthouder ter plaatse en zij constateerden dat een deel van het achterschip van de [naam schip] verwijderd was en dat er geen voorzieningen waren getroffen om te voorkomen dat materialen in het water terecht zouden komen. De verbalisanten hebben op de balken aan de kademuur verfschilfers en ander vuil gezien. Op het water tussen het schip en de kademuur lag volgens de verbalisanten een lichte oliefilm. De havenmeester had namens de gemeente mondeling toestemming gegeven voor het uitvoeren van werkzaamheden op de [naam schip] . Op 31 maart 2020 zijn ook toezichthouders van ILT en Rijkswaterstaat ter plaatse geweest. De [naam schip] is eigendom van [persoon 2] . De werkzaamheden aan de [naam schip] werden uitgevoerd door [bedrijf] BV (hierna [bedrijf] ). Het verlenen van een vergunning voor het lozen van stoffen in het water van de haven van [plaats] is een bevoegdheid die exclusief toekomt aan Rijkswaterstaat. [persoon 2] noch [bedrijf] had een vergunning bij Rijkswaterstaat aangevraagd dan wel verkregen.

4.Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de [verdachte] , omdat de gemeente zich een bevoegdheid heeft toegeëigend die zij niet had, waardoor strafrechtelijke immuniteit niet van toepassing is.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de gemeente strafrechtelijke immuniteit geniet, waardoor het Openbaar Ministerie nietontvankelijk moet worden verklaard.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Strafrechtelijke vervolging van een lagere overheid, zoals een gemeente, is alleen in specifieke situaties mogelijk.
De Hoge Raad heeft in het arrest Pikmeer II bepaald dat de gemeente strafrechtelijk vervolgd kan worden, tenzij de strafbare feiten zijn begaan bij de uitvoering van exclusieve bestuurstaken (HR 6 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA9342).
In latere jurisprudentie is bepaald dat wanneer de gedraging inbreuk maakt op artikel 2 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) de strafrechtelijke immuniteit doorbroken kan worden.
Welke gedragingen worden de [verdachte] verweten?
De verdenking komt er feitelijk op neer dat verdachte toestemming heeft verleend aan [bedrijf] om (sloop)werkzaamheden uit te voeren aan de [naam schip] in de haven van [plaats] . [bedrijf] heeft in de haven van [plaats] bij het uitvoeren van deze werkzaamheden bepaalde stoffen in het water gebracht zonder de daartoe vereiste vergunning.
Door toestemming te verlenen heeft de gemeente, volgens het Openbaar Ministerie, samen met [bedrijf] strafrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
Zijn de (vermeende) strafbare feiten begaan bij de uitvoering van exclusieve bestuurstaken?
De rechtbank vindt van wel.
De gemeente heeft deze toestemming namelijk verleend op grond van artikel 4.1 van de Havenverordening [plaats] 2009, waarin is opgenomen dat het verboden is om zonder een vergunning van burgemeester en wethouders van [plaats] verbouwings-, herstel-, onderhouds- of sloopwerkzaamheden te (laten) verrichten aan de kaden dan wel in, op of aan het openbaar water. In artikel 4.2 van de Havenverordening [plaats] 2009 is opgenomen dat zowel de schipper van een vaartuig als de exploitant van een aan de haven gelegen terrein maatregelen moet nemen om te voorkomen dat er vloeistoffen, voorwerpen of zelfstandigheden in het water terecht komen.
Deze toestemming kan niet anders dan door de gemeente worden verleend.
De omstandigheid dat naast de toestemming van de [verdachte] om in de haven werkzaamheden te verrichten ook nog een vergunning van Rijkswaterstaat vereist was om stoffen in het oppervlaktewater te brengen, maakt voor de beoordeling van de rechtbank geen verschil. Het gaat erom of de toestemming van de [verdachte] is verleend in het kader van de uitvoering van een (exclusief) aan de gemeente opgedragen bestuurstaak.
De rechtbank concludeert dan ook dat de gemeente voor de tenlastegelegde gedragingen strafrechtelijke immuniteit geniet. Nu deze strafrechtelijke immuniteit niet wordt doorbroken door strijd met het EVRM, zal het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging van de gemeente.

5.Beslissing

De rechtbank komt op grond hiervan tot de volgende beslissing.
Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Vaandrager, voorzitter,
mrs. C.A.E. Wijnker en R.K. Pijpers, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Buiskool, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juli 2024.
[.]
.