Uitspraak
1.[gedaagde 1] B.V.,
[gedaagde 2],
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
5.De beslissing
9 augustus 2024.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Amsterdam
In augustus 2021 sloten Inbev Nederland N.V. en [gedaagde 1] een investeringsovereenkomst waarbij [gedaagde 1] €25.417,12 aan Inbev moest betalen. [gedaagde 2] stelde zich hoofdelijk garant voor deze betaling. In juni 2023 stuurde Inbev een factuur, die niet werd voldaan. In juni 2024 werd een deelbetaling van €1.500 gedaan.
Inbev vorderde hoofdelijk betaling van €25.000 vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf 4 april 2024 en proceskosten. Beide gedaagden erkenden de vordering. De rechtbank oordeelde dat de betaling van €1.500 eerst in mindering komt op de wettelijke handelsrente en daarna op de hoofdsom.
De rechtbank veroordeelde [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling van het bedrag en de rente, en tot vergoeding van proceskosten van €2.745,84. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, waardoor het direct gevolgd moet worden, ook als hoger beroep wordt ingesteld.
Uitkomst: Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €25.000 plus wettelijke handelsrente en proceskosten, waarbij een eerdere betaling eerst rente vermindert.