Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.1. De procedure
- het verzoekschrift van 17 april 2024;
- de op 21 juni 2024 van verzoeker ontvangen producties;
- de schriftelijke reactie van de rechter.
Rechtbank Amsterdam
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. J.H.J. Evers, rechter in de rechtbank Amsterdam, naar aanleiding van diverse procesbeslissingen in een civiele procedure. Verzoeker stelde dat de rechter vooringenomen was door het afwijzen van een verzoek tot tussentijds hoger beroep, het beperken van reactietermijnen op een deskundigenrapport en het vooruitlopen op de einduitspraak.
De Wrakingskamer heeft het verzoek behandeld en onderzocht of er feiten of omstandigheden zijn die de onpartijdigheid van de rechter kunnen schaden. Hierbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid opleveren.
De Hoge Raad heeft in een arrest uit 2018 geoordeeld dat rechterlijke beslissingen, ook tussentijdse, geen grond voor wraking kunnen zijn. Dit geldt ook in civiele zaken, aangezien artikel 36 Rv Pro overeenkomt met artikel 512 Sv Pro en geen beperking kent voor andere rechtsgebieden.
De Wrakingskamer oordeelde dat de vermeende nadelige beslissingen voor verzoeker onvoldoende zijn om vooringenomenheid aan te nemen. Het verzoek is daarom ongegrond verklaard en afgewezen. Tegen deze beslissing staat geen voorziening open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.