Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de kantonrechter die betrokken is bij een huurgeschilprocedure. Verzoeker stelde dat de rechter een onjuist toetsingskader hanteerde en uitlatingen deed die objectief gezien de schijn van partijdigheid wekten.
De rechter heeft in haar schriftelijke reactie en tijdens de zitting aangegeven dat de motivering van het tussenvonnis niet kan worden opgevat als blijk van vooringenomenheid. De Wrakingskamer heeft het verzoek behandeld en overwogen dat een onjuiste motivering op zichzelf geen grond tot wraking vormt, tenzij sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid opleveren.
De Wrakingskamer heeft geoordeeld dat de uitlatingen van de rechter, waaronder opmerkingen over termijnen en mogelijke schikkingsvoorstellen, niet voldoende zijn om partijdigheid aan te nemen. Ook het gebruik van een subjectief toetsingskader bij de beoordeling van de termijnoverschrijding leidt niet tot wraking.
Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018 is wraking geen verkapt rechtsmiddel en kan een motivering van een tussenvonnis niet als grond voor wraking dienen tenzij deze onomstotelijk wijst op vooringenomenheid. Het verzoek is daarom ongegrond verklaard en afgewezen.