ECLI:NL:RBAMS:2024:4906

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 augustus 2024
Publicatiedatum
7 augustus 2024
Zaaknummer
C/13/753268 HA RK 24-221
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen kantonrechter wegens vermeende vooringenomenheid

Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen de kantonrechter die haar civiele zaak behandelde, omdat zij meende dat de rechter niet onpartijdig was vanwege de economische situatie van verzoekster en de beslissing om deskundigenberichten in te winnen zonder rekening te houden met haar financiële situatie.

De wrakingskamer overwoog dat op grond van artikel 36 Rv Pro een rechter alleen kan worden gewraakt als er feiten of omstandigheden zijn die de rechterlijke onpartijdigheid aantasten. Daarbij geldt de wettelijke vermoeden van onpartijdigheid van rechters, tenzij het tegendeel wordt bewezen.

De kamer verwees naar een arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:1413) waarin is vastgesteld dat een rechterlijke beslissing zelf nooit een grond voor wraking kan zijn, ook niet als de motivering gebrekkig is, tenzij de motivering objectief gezien blijk geeft van vooringenomenheid.

In deze zaak was niet gesteld of gebleken dat de motivering van de rechterlijke beslissing blijk gaf van vooringenomenheid. Het verzoek tot wraking werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen zonder mondelinge behandeling.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter is afgewezen wegens het ontbreken van aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer
Beslissing op het op 1 juli 2024 ingekomen en onder rekestnummer C/13/753268 / HA RK 24-221 ingeschreven verzoek van:
[verzoekster],
verzoekster,
gemachtigde mr. M.E. Martis,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. B.T. Beuving, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1.Verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het navolgende processtuk:
 het wrakingsverzoek van 1 juli 2024.
1.2.
De rechter heeft niet in de wraking berust.

2.De feiten en het verzoek

2.1.
Verzoekster is partij in een zaak die bij de rechter in behandeling is onder zaaknummer 9726987 CV EXPL 22-3284. In deze zaak heeft de rechter bij rolmededeling van 18 juni 2024 een deskundigenbericht gelast.
2.2.
In het wrakingsverzoek heeft de gemachtigde van verzoekster opgemerkt:
“Uw rechtbank heeft besloten deskundigenberichten in te winnen echter vanwege de de economische situatie van mevrouw [verzoekster] , welke bij uw rechtbank bekend is, verkeerd mevrouw [verzoekster] zich in een situatie waardoor zij onmogelijk het vastgestelde bedrag van meer dan dertien duizend euro kan betalen.
Het kan echter niet zo zijn dat omdat mevrouw [verzoekster] dit veel te hoge bedrag niet kan betalen dat dan haar vordering afgewezen wordt. In de onderhavige zaak zijn er voldoende aanknopingspunten gevonden door uw rechtbank dat er nader onderzoek nodig, daarom heeft uw rechtbank besloten dat er deskundigenberichten dienen
te worden ingewonnen. Echter heeft uw rechtbank geen rekening gehouden met de economische situatie van mevrouw [verzoekster] . (…)
Mevrouw [verzoekster] doet op dit punt een beroep op WRAKING. Na nader onderzoek aan de zijde van mevrouw [verzoekster] acht mevrouw het onbestaanbaar dat een onderneming weg kan komen met het niet leveren van RIE's over meerdere jaren. Terwijl er duidelijke aanwijzingen zijn dat door het niet nemen van de juiste
voorzorgsmaatregelen op belangrijke punten schade is ontstaan bij meerdere werknemers. Enkelen hebben een vaststellingsovereenkomst met [naam] ondertekend waardoor zij niet als getuigen kunnen worden opgeroepen. De rechtbank is op dit punt niet onpartijdig. Ook de voorkennis van de rechtbank dat mevrouw
[verzoekster] onmogelijk een bedrag van dertien duizend euro kan betalen speelt een rol bij het onderhavige beroep op wraking.”

3.De beoordeling

3.1.
Op grond van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel.
3.3.
In zijn arrest van 25 september 2018 (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413) heeft de Hoge Raad overwogen dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
Bij de beantwoording van de vraag of de motivering van een dergelijke (tussen)beslissing getuigt van vooringenomenheid, moet uitgangspunt zijn dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich evenzeer ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
3.4.
Het bezwaar van verzoekster betreft een beslissing van de rechter. Een rechterlijke beslissing kan echter geen grond voor wraking opleveren zoals is beslist in het hierboven genoemde arrest. Niet is gesteld of gebleken dat sprake zou zijn van een motivering die blijk geeft van vooringenomenheid. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.
4. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De Wrakingskamer:
 wijst het verzoek tot wraking af.
Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, A.W.J. Ros en K.A. Brunner, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 augustus 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.