Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2024:4955

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 juli 2024
Publicatiedatum
9 augustus 2024
Zaaknummer
AMS 22/3642
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen WOZ-beschikking niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding

De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam stelde de WOZ-waarde van een parkeergarage vast op €24.000 voor het kalenderjaar 2021 en legde de aanslag onroerende zaakbelasting op. Eiser maakte bezwaar tegen deze beschikking, maar dit bezwaar werd door de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk verklaard vanwege te late indiening.

Eiser stelde beroep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. De rechtbank beoordeelde of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk werd verklaard op grond van artikel 6:7 en Pro 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank stelde vast dat het bezwaarschrift pas op 6 april 2022 werd ingediend, terwijl de termijn liep van 1 maart 2021 tot 12 april 2021.

Eiser voerde geen verontschuldigbare redenen aan voor de te late indiening. De ontvangstbevestiging van de heffingsambtenaar wekte volgens de rechtbank geen verkeerde indruk over ontvankelijkheid. De rechtbank concludeerde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift is ongegrond verklaard wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/3642

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juli 2024 in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: I. Garlemos)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.

Procesverloop

De heffingsambtenaar heeft in de beschikking van 28 februari 2021 de WOZ-waarde van de onroerende zaak [adres] (Parkeergarage behorende bij appartement [huisnummer] ) te Amsterdam (hierna: de onroerende zaak) voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op
€ 24.000,-. In hetzelfde document heeft de heffingsambtenaar ook de aanslag onroerende zaakbelasting bekendgemaakt.
Eiser heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van
28 juli 2022 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 9 juli 2024. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. De heffingsambtenaar is verschenen in de persoon van mr. N.M. Kell.

Overwegingen

1. De rechtbank moet in dit geschil beoordelen of de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend.
2. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt op grond van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet of niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser bezwaar heeft gemaakt tegen de WOZ-beschikking die hij heeft ontvangen op 28 februari 2021. Er zijn geen aanwijzingen dat verzending aan eiser pas na die dagtekening heeft plaatsgevonden. Dat wordt door eiser ook niet betwist. De termijn voor het maken van bezwaar is daarmee op de dag na 28 februari 2021 gaan lopen en geëindigd op 12 april 2021.
4. De heffingsambtenaar heeft in de bestreden uitspraak overwogen dat het bezwaarschrift door de gemachtigde van eiser te laat is ingediend, omdat hij het bezwaarschrift pas op 6 april 2022 heeft ingediend. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift vervolgens op 7 april 2022 ontvangen en de ontvangst van het bezwaarschrift met een brief van 21 april 2022 bevestigd. Dit is echter, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, te laat.
5. Eiser heeft geen reden aangevoerd waarom hij te laat bezwaar heeft gemaakt. Wel merkt eiser op dat de heffingsambtenaar met de ontvangstbevestiging de indruk heeft gewekt dat het bezwaarschrift ontvankelijk is. De heffingsambtenaar meent echter niet dat de tekst van de ontvangstbevestiging de indruk wekt dat het bezwaarschrift ontvankelijk is. Er staat enkel dat het bezwaarschrift in behandeling is; wat ook het geval was. De rechtbank volgt de uitleg van de heffingsambtenaar. Naar het oordeel van de rechtbank is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Conclusie
6. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard. Eiser krijgt dus geen gelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Verberne, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.M. Dost. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2024.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.