ECLI:NL:RBAMS:2024:5127

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 augustus 2024
Publicatiedatum
16 augustus 2024
Zaaknummer
13/145780-24
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OverleveringswetArt. 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZArt. 23 OverleveringswetArt. 29 Overleveringswet
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering op grond van schending verdedigingsrechten volgens artikel 12 OLW

De rechtbank Amsterdam behandelde op 6 augustus 2024 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Bulgarije voor de overlevering van de opgeëiste persoon, die een gevangenisstraf van tien jaar en een geldboete opgelegd kreeg. De opgeëiste persoon was in alle drie de instanties in Bulgarije niet aanwezig bij de zittingen die tot de veroordelingen leidden.

De rechtbank toetste de overlevering aan artikel 12 van Pro de Overleveringswet, dat een facultatieve weigeringsgrond biedt indien de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon tijdens het buitenlandse proces zijn geschonden. Uit de verstrekte informatie bleek dat geen van de uitzonderingen van artikel 12, onder a tot en met d, van toepassing was en dat geen adequate verzetgarantie was gegeven.

De rechtbank concludeerde dat de overlevering geweigerd moest worden omdat het toestaan ervan zou leiden tot een schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. Tevens werd de (geschorste) overleveringsdetentie opgeheven. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering van de opgeëiste persoon aan Bulgarije wegens schending van verdedigingsrechten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/145780-24
Datum uitspraak: 6 augustus 2024
UITSPRAAK
op de vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1] Deze vordering dateert van 8 mei 2024 en betreft het EAB dat is uitgevaardigd op 14 juli 2020 door
the Regional Prosecutor’s Office-Plovdivte Bulgarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit), en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1958,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 augustus 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.P.J. van Riel, advocaat in Breda.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van
- een
verdict no. 13van 21 februari 2019 van
the District Court in Plovdiv, in werking getreden op 10 juni 2020 (zaaknummer: 2416/2016);
  • een
  • een
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van tien jaar en voor de executie van een geldboete van 180.000 Bulgaarse lev. In het EAB is vermeld dat bij de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf het voorarrest van
29 oktober 2013 tot 18 februari 2014 in mindering zal worden gebracht. De vrijheidsstraf en geldboete zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde rechterlijke beslissingen.
Deze rechterlijke beslissingen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [2]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

De facultatieve weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro betreft de toetsing van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon tijdens het proces in de uitvaardigende lidstaat. De rechtbank kan de overlevering op grond van deze bepaling weigeren, indien de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid en evenmin sprake is van één van de in artikel 12, onder a tot en met d, OLW genoemde situaties. Daarbij geldt dat als het proces in meerdere opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 12 OLW Pro (en van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ) de laatste beslissing relevant is, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en waarbij daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [3]
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft met het oog op de toetsing aan artikel 12 OLW Pro informatie verstrekt in het EAB. De officier van justitie heeft bij brieven van 10 mei 2024,
3 juni 2024 en 14 juni 2024 aanvullende informatie gevraagd. Hierop heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brieven van respectievelijk een onbekende datum in 2024, 10 juni 2024 en 21 juni 2024 aanvullende informatie verstrekt.
Uit de verstrekte informatie blijkt dat het proces in Bulgarije in drie opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden. Verder blijkt dat de opgeëiste persoon in alle instanties niet aanwezig is geweest op de zittingen die tot de beslissingen hebben geleid. De rechtbank zal dus in ieder geval moeten toetsen of sprake is van een van de situaties als bedoeld in artikel 12, onder a tot en met d, OLW.
Op grond van de verstrekte informatie kan de rechtbank niet met zekerheid vaststellen of de beslissing van
the Appellate Court of the city of Plovdivof de beslissing van
the Supreme Court of Cassation of the city of Sofiain het licht van het hiervoor weergegeven toetsingskader aan artikel 12 OLW Pro moet worden getoetst. Voor beide beslissingen geldt echter dat uit de verstrekte informatie niet blijkt dat sprake is van een van de situaties als bedoeld in artikel 12, onder a, b en c, OLW. Evenmin is een adequate verzetgarantie verstrekt als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW, nu de verstrekte verzetgarantie niet onvoorwaardelijk is.
Gelet op het voorgaande kan de rechtbank de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro weigeren.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Uit de verstrekte informatie blijkt namelijk niet dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zou opleveren. Op grond van die informatie kan immers niet worden geoordeeld dat het aan de onzorgvuldigheid van de opgeëiste persoon te wijten is dat hij niet bij de behandeling van de strafzaak aanwezig is geweest en zijn verdedigingsrechten niet heeft kunnen uitoefenen, laat staan dat hij (stilzwijgend) afstand heeft gedaan van die rechten.
De rechtbank zal, in overeenstemming met de standpunten van de raadsman en officier van justitie, de overlevering dan ook weigeren op grond van artikel 12 OLW Pro.

5.Toepasselijke wetsbepaling

Artikel 12 OLW Pro.

6.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Prosecutor’s Office-Plovdiv(Bulgarije) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
HEFT OPde (geschorste) overleveringsdetentie van
[opgeëiste persoon] .
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. A.R. Vlierhuis en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 augustus 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie onderdeel e) van het EAB.
3.Vergelijk: Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (