De rechtbank Amsterdam behandelde op 18 juli 2024 het verzoek tot overlevering van een persoon aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Kempten. De opgeëiste persoon, van Roemeense nationaliteit zonder vaste verblijfplaats in Nederland, werd bijgestaan door een raadsman en tolk. De rechtbank verlengde de beslistermijn met 30 dagen en beval gevangenhouding.
Het EAB betreft een strafbaar feit dat in Duitsland valt onder georganiseerde of gewapende diefstal, een lijstfeit volgens de Overleveringswet (OLW), waardoor een onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege blijft. Naast dit Duitse EAB was er een Roemeens EAB voor de executie van een gevangenisstraf van drie jaar en zes maanden. De verdediging verzocht voorrang voor het Roemeense bevel, zodat de opgeëiste persoon eerst zijn straf in Roemenië kan uitzitten.
De rechtbank oordeelde op basis van artikel 26, derde lid, OLW dat het Duitse vervolgings-EAB voorrang verdient vanwege het belang van voortgang en afdoening binnen een redelijke termijn. Er waren geen weigeringsgronden tegen de overlevering en het EAB voldeed aan de wettelijke eisen. De rechtbank stond de overlevering aan Duitsland toe en bepaalde dat dit EAB voorrang heeft boven het Roemeense bevel.
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open. De beslissing is op 1 augustus 2024 in het openbaar uitgesproken door de rechtbank Amsterdam.