De Belgische autoriteiten hebben via een Europees Onderzoeksbevel (EOB) verzocht om overdracht en uitlezing van twee telefoons die in Nederland in beslag zijn genomen in verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen klager. Klager heeft klaagschrift ingediend tegen het uitlezen en de overdracht van deze telefoons, stellende dat deze niet aan crimineel handelen zijn gekoppeld en dat het voortduren van het beslag geen bijdrage levert aan de waarheidsvinding.
De rechtbank heeft het klaagschrift behandeld en de officier van justitie heeft toegelicht dat het EOB in samenhang moet worden gelezen met een Europees Arrestatiebevel, waarbij de overdracht van de telefoons nog steeds gewenst is door de Belgische autoriteiten. De rechtbank heeft het toetsingskader van het EOB-systeem toegepast, waarbij het beginsel van wederzijdse erkenning centraal staat en de ruimte voor weigering beperkt is.
De rechtbank concludeert dat het EOB voldoet aan de wettelijke eisen van artikel 5.4.3 Wetboek van Strafvordering, dat er geen weigeringsgronden zijn zoals genoemd in artikel 5.4.4 Sv, en dat geen van de situaties van artikel 5.4.6 Sv zich voordoen. De rechtbank oordeelt dat het klaagschrift daarom ongegrond is en verklaart het beklag ongegrond. De beslissing is op 22 augustus 2024 in het openbaar uitgesproken.