Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2],
Rechtbank Amsterdam
Partijen sloten op 5 juni 2018 een aannemingsovereenkomst voor een nieuwbouwwoning. Na oplevering in maart 2020 constateerde de koper vochtschade in de dakconstructie. Dit leidde tot een procedure bij de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen, waarbij de aannemer werd veroordeeld tot herstel binnen zes maanden na 25 augustus 2023, onder dreiging van een dwangsom.
De aannemer startte de herstelwerkzaamheden pas in februari 2024. Een inspectierapport concludeerde dat het herstel deels gebrekkig was en een ernstige bouwfout had veroorzaakt. De koper sommeerde betaling van de dwangsommen. De aannemer verzocht in kort geding om vermindering van de dwangsom wegens overmacht door natte weersomstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat de aannemer al vanaf juli 2023 op de hoogte was van de herstelverplichting en voldoende gelegenheid had gehad om het werk uit te voeren. De stelling dat vijf aaneengesloten droge dagen noodzakelijk waren, werd onvoldoende onderbouwd en kwam pas laat naar voren. De vordering tot vermindering van de dwangsom werd daarom afgewezen. De aannemer werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank weigert vermindering van de dwangsom en veroordeelt de aannemer in de proceskosten.