Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2024:5310

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 augustus 2024
Publicatiedatum
27 augustus 2024
Zaaknummer
AMS 23/7274
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet hersteloperatie toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing forfaitaire compensatie kinderopvangtoeslag wegens ontbreken institutionele vooringenomenheid of hardheid

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Financiën om hem niet aan te merken als gedupeerde ouder in de kinderopvangtoeslagaffaire en hem geen forfaitaire compensatie van €30.000 toe te kennen. De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2024 behandeld en beoordeelt of de afwijzing terecht is.

De rechtbank overweegt dat de zogenaamde lichte toets, uitgevoerd door verweerder, geen aanwijzingen gaf voor institutionele vooringenomenheid of bijzondere hardheid. De wijzigingen in het toetsingsinkomen en het aantal opvanguren verklaren de terugvorderingen. Eiser stelde dat het dossier niet tijdig was verstrekt en dat verweerder niet adequaat had onderzocht of gegevens juist waren, maar deze stellingen zijn verworpen omdat eiser voldoende gelegenheid had om zijn bezwaar toe te lichten en geen concrete onjuistheden heeft aangetoond.

Verder is het standpunt van eiser dat sprake is van hardheid en vooringenomenheid niet gevolgd. De rechtbank stelt dat de terugvorderingen voortkomen uit aanpassingen in toetsingsinkomen en opvanguren, en dat de criteria voor hardheid zoals in de Wet hersteloperatie toeslagen zijn omschreven niet zijn vervuld. Ook is geen bewijs voor institutionele vooringenomenheid gevonden. Daarom is de afwijzing van de compensatie terecht en wordt het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de forfaitaire compensatie van €30.000 wordt bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/7274

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 augustus 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. M. Kartal),
en

de minister van Financiën, Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigden: [belastingsinspecteurs] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder om eiser vooralsnog niet aan te merken als gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire en hem geen € 30.000,- te verlenen.
1.1.
Met het bestreden besluit van 9 november 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.

Totstandkoming van het besluit

2. Eiser heeft zich gemeld bij verweerder voor een herbeoordeling van zijn kinderopvangtoeslag.
3. Met het primaire besluit van 2 maart 2022 heeft verweerder de zogenoemde ‘lichte toets’ uitgevoerd. Eiser is in die lichte toets door verweerder vooralsnog niet aangemerkt als gedupeerde ouder en aan hem is dan ook geen forfaitaire compensatie van € 30.000,- (de Catshuisregeling) toegekend. Na de lichte toets volgt een definitieve toets. Deze heeft inmiddels plaatsgevonden en de bezwaarprocedure daartegen loopt nog.
4. Met het bestreden besluit is verweerder bij de afwijzing gebleven. Verweerder volgt hiermee het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie (BAC). Er bestaat volgens verweerder geen recht op forfaitaire compensatie op grond van de lichte toets, nu in het geval van eiser niet is gebleken dat sprake is van institutionele vooringenomenheid of bijzondere hardheid. De wijzigingen in zijn kinderopvangtoeslag zijn namelijk enkel het gevolg van wijzigingen in het toetsingsinkomen van eiser of wijzigingen in het aantal afgenomen opvanguren en zijn derhalve verklaarbaar.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank stelt voorop dat verweerder op zitting het standpunt dat geen sprake zou zijn van procesbelang heeft laten vallen.
6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eiser terecht (vooralsnog) niet heeft aangemerkt als gedupeerde ouder en hem terecht geen compensatie van € 30.000,- heeft toegekend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
7. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
8. Ouders die gedupeerd zijn in het kader van door hen aangevraagde kinderopvangtoeslag hebben recht op herstel. Daarvoor bestaan verschillende regelingen. De Catshuisregeling is gemaakt om gedupeerde ouders sneller en ruimer te compenseren. In de zogeheten lichte of eerste toets wordt beoordeeld of degene die zich heeft aangemeld recht heeft op herstel. Hierbij wordt gekeken of recht bestaat op een compensatie van
€ 30.000,-. Hiervoor moet sprake zijn van institutionele vooringenomenheid of bijzondere hardheid. Daarna volgt een integrale beoordeling op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
9. Eiser heeft aangevoerd dat het dossier in de bezwaarfase niet tijdig aan hem is verstrekt. Hierdoor heeft eiser zijn bezwaargronden niet toe kunnen lichten.
10. De rechter volgt de stelling van eiser niet. In het bezwaarschrift van 11 maart 2022 heeft de gemachtigde van eiser verzocht om alle aan het besluit ten grondslag liggende stukken aan hem toe te zenden. Vervolgens heeft verweerder op 17 maart 2023 een schriftelijke reactie aan eiser verzonden met daarbij een inventarislijst waarop productie 1 t/m 23 staan vermeld. Ook in het hoorzittingsverslag is verwezen naar deze producties en is eiser een termijn gegund om nadere gronden in te dienen. Eiser heeft vervolgens op
20 september 2023 nadere gronden ingediend, waarin hij schrijft dat alle verzochte achterliggende stukken op 14 augustus 2023 in ontvangst zijn genomen. Eiser heeft dus voldoende tijd gehad om na ontvangst van de stukken zijn bezwaargronden in te dienen, en heeft dit ook gedaan. Deze grond slaagt niet.
11. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten tijde van de lichte toets had moeten vragen of de wijzigingen die in de systemen van de Belastingdienst zijn doorgevoerd juist waren.
12. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft in het kader van de lichte toets onderzocht of eiser voor compensatie in aanmerking komt aan de hand van alle gegevens die beschikbaar zijn. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen enkele indicatie is dat de gegevens op basis waarvan verweerder het onderzoek heeft uitgevoerd, niet juist zouden zijn. Het had op de weg van de eiser gelegen om aan te geven welke gegevens dan niet juist zouden zijn. Dit heeft eiser niet gedaan. Het is de rechtbank dan ook niet duidelijk wat verweerder volgens eiser nog nader had moeten onderzoeken of vragen in het kader van de lichte toets. Deze grond slaagt niet.
13. Eiser stelt verder dat wel degelijk sprake is van hardheid en institutionele vooringenomenheid. Verweerder heeft namelijk tot 2016 gewacht en toen grote bedragen in één keer teruggevorderd. Eiser is van mening dat deze situatie voor een gezin met twee jonge kinderen als hard is aan te merken. Ook stelt eiser dat hij in het vizier van verweerder lag, dit blijkt volgens hem uit de brieven die hij kreeg met de vraag of het aantal afgenomen uren nog wel juist was. Hieruit blijkt volgens eiser dat verweerder vooringenomen heeft gehandeld.
14. De rechtbank begrijpt dat het hard voelt voor eiser dat grote bedragen zijn teruggevorderd door verweerder. Het begrip hardheid in het kader van de Wht ziet echter op de situatie waarbij voor een kleine vergissing grote gevolgen zijn toegebracht. Hiervan is in het geval van eiser geen sprake. De forse terugbetalingen waarmee eiser is geconfronteerd, vinden hun oorsprong in aanpassingen van het toetsingsinkomen of het aantal afgenomen opvanguren. Dit is geen aanwijzing voor hardheid zoals omschreven in de artikelsgewijze toelichting bij de Wht. Uit deze toelichting blijkt dat van hardheid van het stelsel sprake is als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen. Van dergelijke situaties was bij eiser geen sprake.
15. Ook van institutionele vooringenomenheid is de rechtbank niet gebleken. Uit de stukken in het dossier blijkt namelijk niet dat eiser (extra) in het vizier is gezet bij verweerder. Het vermoeden van eiser dat verweerder hem in het vizier had als fraudeur, is verder niet onderbouwd.
16. Nu niet van institutionele vooringenomenheid of hardheid is gebleken in het kader van de lichte toets heeft verweerder de forfaitaire compensatie van € 30.000,- naar het oordeel van de rechtbank terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A.H. Gonera, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
29 augustus 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.