ECLI:NL:RBAMS:2024:5310
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing forfaitaire compensatie kinderopvangtoeslag wegens ontbreken institutionele vooringenomenheid of hardheid
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Financiën om hem niet aan te merken als gedupeerde ouder in de kinderopvangtoeslagaffaire en hem geen forfaitaire compensatie van €30.000 toe te kennen. De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2024 behandeld en beoordeelt of de afwijzing terecht is.
De rechtbank overweegt dat de zogenaamde lichte toets, uitgevoerd door verweerder, geen aanwijzingen gaf voor institutionele vooringenomenheid of bijzondere hardheid. De wijzigingen in het toetsingsinkomen en het aantal opvanguren verklaren de terugvorderingen. Eiser stelde dat het dossier niet tijdig was verstrekt en dat verweerder niet adequaat had onderzocht of gegevens juist waren, maar deze stellingen zijn verworpen omdat eiser voldoende gelegenheid had om zijn bezwaar toe te lichten en geen concrete onjuistheden heeft aangetoond.
Verder is het standpunt van eiser dat sprake is van hardheid en vooringenomenheid niet gevolgd. De rechtbank stelt dat de terugvorderingen voortkomen uit aanpassingen in toetsingsinkomen en opvanguren, en dat de criteria voor hardheid zoals in de Wet hersteloperatie toeslagen zijn omschreven niet zijn vervuld. Ook is geen bewijs voor institutionele vooringenomenheid gevonden. Daarom is de afwijzing van de compensatie terecht en wordt het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de forfaitaire compensatie van €30.000 wordt bevestigd.