Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
de minister van Financiën, Dienst Toeslagen, verweerder
Inleiding
Overwegingen
€ 20.000,- en een schuld bij zijn ex-partner [de persoon 2] ( [de persoon 2] ) van € 115.129,53 (inclusief wettelijke rente) vanwege achterstallige kinderalimentatie. Met het primaire besluit heeft SBN eiser laten weten dat de aangemelde schulden niet worden overgenomen omdat in beide gevallen de schuldeisers nog niet (volledig) hebben gereageerd.
.Ook de verschuldigde alimentatie aan [de persoon 2] is vanwege de echtscheidingsbeschikking van 14 maart 2007 direct opeisbaar. Zodra de rechter een uitspraak doet over de alimentatieverplichtingen in een echtscheidingsbeschikking, worden deze verplichtingen afdwingbaar.
alsnog [2] incassomaatregelen neemt en de gedupeerde ouder
daardoor in de problemen komt. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in zijn uitspraak van 15 mei 2024 [3] heeft geoordeeld, blijkt uit de totstandkoming van de Wht over de schuldenaanpak van private schulden dat het doel van de regeling is het bieden van een nieuwe start aan gedupeerde ouders door hen in bepaalde gevallen te
vrijwaren van incassomaatregelen. Alleen wanneer een schuld opeisbaar is en niet wordt voldaan kan, al dan niet met tussenkomst van een deurwaarder, tot incassomaatregelen worden overgegaan. De eis dat het moet gaan om opeisbare schulden behoort dan ook tot de kern van regeling en is een in de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling steeds terugkerend uitgangspunt. Evenzeer heeft de wetgever beoogd verschil te maken tussen ouders die op 1 juni 2021 wél en ouders die toen (nog) niet in een situatie van betalingsachterstanden, opeisbare schulden en dientengevolge
mogelijkeincassomaatregelen terecht zijn gekomen. De Afdeling concludeert dat de wetgever bewust en gemotiveerd heeft gekozen voor de overname van alleen die schulden die vóór 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden.