De zaak betreft een geschil tussen een Amsterdamse vrouw en de Stichting Welzijn voor Moslims in Nederland (SWM) over terugbetaling van een lening. De vrouw stelde dat zij in de periode 2001-2019 diverse leningen had verstrekt aan SWM, vastgelegd in een overeenkomst uit 2009 en een aflossingsschema. SWM betwistte het bestaan van een geldige leningsovereenkomst en stelde dat de vrouw juist nog geld aan SWM verschuldigd was.
De rechtbank oordeelde dat er wel degelijk een geldleningsovereenkomst tot stand is gekomen, waarbij de authenticiteit van de overeenkomst en handtekeningen voldoende was vastgesteld. Het verweer van SWM over belangenverstrengeling en bevoegdheid werd verworpen. De rechtbank beoordeelde per individuele betaling of deze voldoende was onderbouwd, waarbij banktransacties grotendeels werden erkend, contante betalingen grotendeels niet konden worden vastgesteld, en overige betalingen deels werden aangenomen.
Uiteindelijk stelde de rechtbank vast dat de vrouw in totaal circa €254.800 had uitgeleend en SWM circa €250.500 had terugbetaald, zodat nog €4.300 verschuldigd was. Daarnaast werd wettelijke rente toegekend vanaf 20 juli 2023, en werden buitengerechtelijke incassokosten deels toegewezen tot het wettelijke maximum. SWM werd veroordeeld tot betaling van deze bedragen en de proceskosten. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.