Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
[veroordeelde] ,
(Jan van Nassaustraat 55, 2596 BP 's-Gravenhage),
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde het bezwaar van een veroordeelde faillissementsfraude tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Veroordeelde stelde dat DNA-onderzoek in zijn zaak niet van betekenis zou zijn vanwege de aard van het misdrijf en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn leeftijd en het ontbreken van eerdere veroordelingen.
De rechtbank overwoog dat het bezwaar tijdig en ontvankelijk was, maar dat de uitzonderingsgrond voor het niet afnemen van DNA alleen geldt als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing, vervolging en berechting. Hoewel bij faillissementsfraude doorgaans geen DNA-onderzoek wordt toegepast, kan het profiel wel van belang zijn bij toekomstige opsporing, mede door moderne opsporingstechnieken.
De persoonlijke omstandigheden van veroordeelde, zoals zijn leeftijd en het ontbreken van eerdere veroordelingen, vormen geen reden om het bezwaar toe te wijzen. De rechtbank benadrukte dat het DNA-profiel ook kan bijdragen aan de opsporing van reeds gepleegde feiten. Veroordeelde is veroordeeld tot een gevangenisstraf waarvan een deel voorwaardelijk is, wat recidive niet uitsluit.
De rechtbank concludeerde dat geen uitzonderingssituatie aanwezig is en verklaarde het bezwaar ongegrond. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel is ongegrond verklaard.