Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2024:5698

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 september 2024
Publicatiedatum
12 september 2024
Zaaknummer
AMS 24/4784
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 172a GemeentewetArt. 2.9 APVArt. 2.2 APV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen gebiedsverbod wegens vermeende openbare ordeverstoring

De burgemeester van Amsterdam legde op 12 augustus 2024 een gebiedsverbod op aan verzoeker voor drie maanden vanwege vermeende herhaalde verstoring van de openbare orde in een specifiek gebied. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om schorsing van het verbod.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 28 augustus 2024 en concludeerde dat de burgemeester onvoldoende had gemotiveerd waarom eerdere kortdurende verblijfsverboden waren ingetrokken en waarom het nieuwe gebiedsverbod was gebaseerd op artikel 172a van de Gemeentewet in plaats van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Tevens ontbrak een toelichting op de gekozen duur van drie maanden.

Verzoeker voerde aan dat hij als beroepsactivist vreedzaam protesteert en dat de incidenten waarop het verbod gebaseerd is, misverstanden betreffen. De voorzieningenrechter vond dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft en besloot het gebiedsverbod voorlopig te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Daarnaast werd bepaald dat de burgemeester het griffierecht aan verzoeker moet vergoeden. Er zijn geen proceskosten toegekend. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter S.D. Arnold op 6 september 2024.

Uitkomst: Het gebiedsverbod is geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar vanwege onvoldoende motivering.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4784

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 september 2024 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit Amsterdam, verzoeker

en

de burgemeester van Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. M. Kappelhof en mr. H.H.L. Krans).

Inleiding

1.1.
Verweerder heeft op 12 augustus 2024 aan verzoeker een gebiedsverbod opgelegd met ingang van 14 augustus 2024 tot en met 13 november 2024 voor het overlastgebied [locatie] (het bestreden besluit).
1.2.
Op 14 augustus 2024 heeft verzoeker tegen dit besluit bezwaar gemaakt en tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat het gebiedsverbod wordt geschorst.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de heer [naam] en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. Voorafgaand aan het besluit van 12 augustus 2024 heeft verweerder verzoeker op 31 mei en 13 juni 2024 twee verblijfsverboden voor de duur van 24 uur opgelegd en op
4 juli 2024 een verblijfsverbod voor de duur van een maand. Deze verboden heeft verweerder destijds opgelegd op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) [1] . Op 15 juli 2024 heeft verweerder, naar aanleiding van een verzoek om een voorlopige voorziening door verzoeker, de twee 24-uursbevelen en het verblijfsverbod voor de duur van een maand ingetrokken.
4. Vervolgens heeft verweerder met het bestreden besluit van 12 augustus 2024 op grond van artikel 172a van de Gemeentewet aan verzoeker een gebiedsverbod voor de duur van drie maanden opgelegd, over de periode van 14 augustus tot en met 13 november 2024. Het verbod geldt voor het gebied [locatie] dat is aangegeven op de bij het bevel aangehechte kaart. Verweerder heeft het bevel genomen omdat verzoeker volgens verweerder herhaaldelijk de openbare orde heeft verstoord in [locatie] . Verweerder leidt dit af uit het rapport van de politie, Eenheid Amsterdam, van 26 juli 2024. Uit deze bestuurlijke rapportage blijkt dat verzoeker betrokken is geweest bij een aantal incidenten.
5. Verzoeker voert echter aan dat deze incidenten berusten op misverstanden die verkeerd zijn beoordeeld door de politie. Verzoeker is beroepsactivist die dagelijks met een groepje op de Dam protesteert tegen de oorlog in Gaza. Volgens verzoeker doet hij dat altijd de-escalerend en is hij altijd vreedzaam en respectvol naar de politie geweest. Hij gebruikt nooit onnodig geweld zoals wel door verweerder wordt beweerd. Daarnaast is het verzoeker niet duidelijk waarom de verblijfsverboden op grond van de APV zonder toelichting zijn ingetrokken en waarom er nu een verblijfsverbod van 3 maanden is opgelegd, terwijl hij nog een gesprek zou krijgen met verweerder over mogelijke richtlijnen waaraan hij zich dient te houden tijdens de protesten.
6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de verblijfsverboden op grond van de APV zijn ingetrokken. Dit intrekkingsbesluit is zonder nadere motivering naar verzoeker verzonden terwijl verweerder op zitting heeft toegelicht dat de verblijfsverboden zijn ingetrokken omdat deze gebaseerd waren op een verkeerde grondslag.
7. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat ook het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat de eerdere gebiedsverboden gebaseerd waren op artikel 2.9 en 2.2 van de APV. Daarbij had verweerder over het hoofd gezien dat artikel 2.2, vierde lid, van de APV bepaalt dat de verboden niet gelden voor betogingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Verweerder heeft vervolgens nagelaten in het bestreden besluit te motiveren waarom het gebiedsverbod van drie maanden is gebaseerd op artikel 172a van de Gemeentewet. Uit de toelichting op artikel 2.2 van de APV blijkt immers dat verweerder eventuele maatregelen bij samenkomsten waarop de Wet openbare manifestaties van toepassing is, op die wet moet baseren. Ook heeft verweerder niet gemotiveerd waarom is gekozen voor een gebiedsverbod voor de duur van drie maanden in plaats van bijvoorbeeld een maand zoals verweerder dat eerder op 4 juli 2024 had gedaan. Ook als een gebiedsverbod niet kan worden gebaseerd op de APV, kan verweerder voor de duur van het verbod wel aansluiten bij de in artikel 2.9 van de APV genoemde termijnen.
8. Op zitting heeft verweerder enkel toegelicht dat gekozen is voor een gebiedsverbod van drie maanden omdat deze termijn standaard wordt gehanteerd bij een gebiedsverbod op grond van artikel 172a van de Gemeentewet. Aangezien verweerder heeft erkend dat deze grondslag doorgaans niet gebruikt wordt bij samenscholingen in het kader van de Wet openbare manifestaties, geeft dit blijk van een onvoldoende onderbouwing. Gelet op voorgaande heeft het bezwaar naar het oordeel van de voorzieningenrechter een redelijke kans van slagen en dient verweerder het bovenstaande in acht te nemen bij het nemen van de beslissing op bezwaar.

Conclusie en gevolgen

9.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 12 augustus 2024 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
9.2.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan verzoeker moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
6 september 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 2.9 juncto artikel 2.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008.