Eiseres kreeg een bijstandsuitkering die het college introk en terugvorderde over de periode 29 augustus 2022 tot en met 20 oktober 2022, omdat zij volgens het college langer dan 28 dagen in het buitenland verbleef. Tevens rekende het college de waarde van een auto, niet op naam van eiseres, tot haar vermogen. Eiseres voerde aan dat zij slechts korter dan vier weken in het buitenland verbleef en dat zij niet over de auto kon beschikken om deze waarde aan te wenden voor haar levensonderhoud.
De rechtbank oordeelde dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat eiseres langer dan vier weken in het buitenland verbleef. Bankafschriften toonden afschrijvingen in het buitenland van 11 tot 28 augustus 2022, en de eerste Nederlandse afschrijving was pas op 21 oktober 2022. Eiseres onderbouwde haar verblijf met verklaringen en bewijsstukken, waaronder een telefoongesprek met haar bank over gestolen pasjes. Het college kon niet overtuigend aantonen dat eiseres de periode tussen 30 augustus en 21 oktober daadwerkelijk in het buitenland verbleef.
Ten aanzien van de auto stelde de rechtbank vast dat deze op naam stond van een ander en dat eiseres geen exclusieve beschikkingsmacht had. Het college slaagde er niet in aannemelijk te maken dat eiseres de auto kon gebruiken om haar noodzakelijke kosten te dekken. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, bepaalde dat het college binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen en veroordeelde het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.