Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 september 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit Amsterdam, verzoekster
15 december 2022 recht heeft op een uitkering.
Rechtbank Amsterdam
Verzoekster ontving sinds 2019 een bijstandsuitkering die per 15 december 2022 werd stopgezet en ingetrokken door verweerder vanwege het niet melden van inkomsten uit werkzaamheden als [beroep]. Tevens werd een bedrag van €21.497,05 teruggevorderd. Verzoekster maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening om de betaling te hervatten.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 12 september 2024 en oordeelde dat niet was gebleken van een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Verzoekster leeft van haar spaargeld en er is geen acute financiële noodsituatie of onomkeerbare situatie zoals faillissement. De bewindvoerder zou haar taken niet neerleggen en verweerder stelde dat terugvordering voorlopig niet zou plaatsvinden.
Daarnaast werd overwogen dat de besluiten niet evident onrechtmatig zijn. Schending van de inlichtingenplicht rechtvaardigt intrekking indien niet kan worden vastgesteld of er recht op bijstand is. Verzoekster heeft onvoldoende stukken aangeleverd om haar recht op bijstand te onderbouwen. De voorzieningenrechter raadde verzoekster aan de ontbrekende documenten alsnog te overleggen.
De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen stopzetting en terugvordering van de bijstandsuitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en niet evident onrechtmatige besluiten.