Op 5 april 2024 werd verdachte aangehouden na een melding over asociaal rijgedrag van snorscooters in Amsterdam. Na een achtervolging werd een snorscooter aangetroffen met sleutels in het contact en een vuurwapen in de buddyseat. Bij doorzoeking van de woning van de moeder van verdachte werd munitie gevonden.
De verdediging voerde aan dat de doorzoeking van de snorscooter onrechtmatig was, wat zou leiden tot bewijsuitsluiting. De rechtbank oordeelde echter dat er sprake was van een redelijk vermoeden van diefstal, waardoor de doorzoeking rechtmatig was en geen vormverzuim bestond.
Verdachte bekende het bezit van het vuurwapen en de munitie. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte een pistoolmitrailleur en munitie in bezit had, wat strafbaar is volgens de Wet wapens en munitie. Er werden geen rechtvaardigingsgronden gevonden.
De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de geladen staat van het wapen, de recidive van verdachte en de maatschappelijke impact van wapenbezit in Amsterdam. De strafmaat werd vastgesteld op 18 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.
De inbeslaggenomen wapens en munitie werden onttrokken aan het verkeer. De uitspraak werd gedaan door de rechtbank Amsterdam op 17 juli 2024.