ECLI:NL:RBAMS:2024:5885

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 juli 2024
Publicatiedatum
24 september 2024
Zaaknummer
13/117740-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 96b SvArt. 67a SvArt. 359a SvArt. 6 EVRMArt. 26 Wwm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit van pistoolmitrailleur en munitie met onvoorwaardelijke gevangenisstraf

Op 5 april 2024 werd verdachte aangehouden na een melding over asociaal rijgedrag van snorscooters in Amsterdam. Na een achtervolging werd een snorscooter aangetroffen met sleutels in het contact en een vuurwapen in de buddyseat. Bij doorzoeking van de woning van de moeder van verdachte werd munitie gevonden.

De verdediging voerde aan dat de doorzoeking van de snorscooter onrechtmatig was, wat zou leiden tot bewijsuitsluiting. De rechtbank oordeelde echter dat er sprake was van een redelijk vermoeden van diefstal, waardoor de doorzoeking rechtmatig was en geen vormverzuim bestond.

Verdachte bekende het bezit van het vuurwapen en de munitie. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte een pistoolmitrailleur en munitie in bezit had, wat strafbaar is volgens de Wet wapens en munitie. Er werden geen rechtvaardigingsgronden gevonden.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de geladen staat van het wapen, de recidive van verdachte en de maatschappelijke impact van wapenbezit in Amsterdam. De strafmaat werd vastgesteld op 18 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest.

De inbeslaggenomen wapens en munitie werden onttrokken aan het verkeer. De uitspraak werd gedaan door de rechtbank Amsterdam op 17 juli 2024.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 18 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor het bezit van een pistoolmitrailleur en munitie.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/117740-24
Datum uitspraak: 17 juli 2024
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in het Justitieel Complex [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 juli 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A. Bouwman, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.L. van Gaalen, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 5 april 2024 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
het voorhanden hebben van een vuurwapen, te weten een pistoolmitrailleur, van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie;
het voorhanden hebben van munitie, van categorie III van de Wet wapens en munitie.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op basis van het dossier uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 5 april 2024 is er een melding bij de politie binnengekomen dat meerdere brommers asociaal rijgedrag vertoonden op de Lodewijk van Deysselstraat. Ter plaatse zagen verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] twee snorscooters rijden. Zij zagen dat het kenteken van één van de snorscooters slecht zichtbaar was. Toen de verbalisanten vlak achter de snorscooter reden zagen ze dat het kenteken [kenteken] betrof. Vervolgens gaven ze de bestuurder van de snorscooter een stopteken door naast hem te gaan rijden en hem door het open raam aan te spreken met de woorden ‘wilt u even stoppen?’ De bestuurder van de snorscooter maakte een draai en reed met hoge snelheid van de verbalisanten weg. Er werd een achtervolging ingezet. Toen de bestuurder een voetpad op reed, werd de achtervolging gestaakt. De verbalisanten zijn vervolgens in de omgeving gaan zoeken naar de bestuurder en de snorscooter. Ze troffen de snorscooter met het kenteken [kenteken] aan met de sleutels in het contact. Omdat de verbalisanten een vermoeden hadden dat de snorfiets mogelijk van diefstal afkomstig was, hebben ze verder onderzoek ingesteld naar het chassisnummer en het kenteken. Daarvoor hebben ze de buddyseat van de snorscooter geopend met de aanwezige sleutel. Bij het openen van de buddyseat zagen de verbalisanten een zwart handvuurwapen liggen.
Aan de hand van een onderzoek naar het kenteken zijn de verbalisanten naar het adres [adres] te Amsterdam gegaan. In die straat zagen de verbalisanten een persoon die volledig overeenkwam met het signalement van de bestuurder. Het adres bleek de woning van de moeder van verdachte te zijn. Tijdens de doorzoeking van de woning troffen verbalisanten in de slaapkamer in een tas diverse kogelpatronen aan. Tussen de kleding zat ook een paspoort dat op naam van verdachte stond.
3.2
Het standpunt van de verdediging
3.2.1
Onrechtmatige doorzoeking van de snorscooter
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, omdat het doorzoeken van de snorscooter onrechtmatig heeft plaatsgevonden.
Voor een rechtmatige doorzoeking van een vervoermiddel dient er, op grond van artikel 96b lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), sprake te zijn van een ontdekking op heterdaad of van een ontdekking van een misdrijf als omschreven in artikel 67a lid 1 Sv. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de gegeven omstandigheden onvoldoende zijn om te kunnen komen tot het oordeel dat sprake was van een redelijk vermoeden dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan een misdrijf als omschreven in artikel 67a lid 1 Sv. Dit levert volgens de raadsman een vormverzuim op in de zin van artikel 359a Sv. Hierdoor is een belangrijk strafvorderlijk voorschrift in aanzienlijke mate geschonden, waarbij het belang dat met dat voorschrift wordt gediend het recht op eerbieding van het privéleven en het recht op een goede rechtsbedeling is. De raadsman heeft verder aangevoerd dat het verzuim ook als ernstig is aan te merken, omdat het een inbreuk op de privacy heeft opgeleverd. Het nadeel van verdachte bestaat er volgens de raadsman in dat hij heeft moeten dulden dat er door zijn persoonlijke bezittingen werd gezocht. De vondst van het vuurwapen bij de doorzoeking van de snorscooter en het daaropvolgende aantreffen van de munitie bij de doorzoeking van de woning, moeten om die reden worden uitgesloten van het bewijs, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat strafvermindering dient plaats te vinden.
3.3
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Met betrekking tot het doorzoeken van de snorscooter heeft de officier van justitie zich primair op het volgende standpunt gesteld. De doorzoeking van de scooter heeft rechtmatig plaatsgevonden. Gelet op de feiten en omstandigheden was er voldoende reden om verdachte staande te houden en, na het met hoge snelheid wegrijden en het aantreffen van de snorscooter, ook genoeg reden voor een verdenking van diefstal. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het enkel openen van de buddyseat geen schending oplevert van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Er dient daarom te worden volstaan met de constatering van het vormverzuim. Meer subsidiair dient dit te leiden tot strafvermindering.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de bekennende verklaring van verdachte wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
3.3.2
Het standpunt van de verdediging ten aanzien van het bewijs
De verdediging heeft, buiten het onder 3.2.1 genoemde verweer, geen verweer gevoerd ten aanzien van een eventuele bewezenverklaring. Verdachte heeft de aan hem ten laste gelegde feiten op zitting duidelijk en ondubbelzinnig bekend.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
3.4.1
Vormverzuim
De rechtbank dient te beoordelen of het doorzoeken van de snorscooter rechtmatig is verricht. Zij overweegt hierover als volgt en gaat daarbij uit van de feiten en omstandigheden als genoemd in 3.1.
Op grond van artikel 96b lid 1 Sv hebben verbalisanten, in geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67 lid 1 Sv Pro, de bevoegdheid om ter inbeslagneming een vervoermiddel te doorzoeken (met uitzondering van het woongedeelte zonder toestemming van de bewoner) en zich daartoe de toegang tot dit vervoermiddel te verschaffen. Hieronder valt ook het kijken in de buddyseat van een snorscooter.
De rechtbank is van oordeel dat er op het moment van de doorzoeking van de snorscooter sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan diefstal. Daarbij is van belang dat het kenteken niet goed leesbaar was, verdachte niet reageerde op het verzoek om te stoppen en met hoge snelheid van de verbalisanten wegreed, en dat de scooter daarna werd achtergelaten met de sleutels in het contact. Die omstandigheden zijn te kwalificeren als voldoende concrete aanwijzingen dat de snorscooter mogelijk van diefstal afkomstig was. Er wordt daarmee voldaan aan het vereiste dat sprake is van een verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67 lid 1 Sv Pro.
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit, waardoor de doorzoeking van de snorscooter rechtmatig heeft plaatsgevonden.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Bewijsuitsluiting is daarom ook niet aan de orde. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.
3.4.2
Bewijsoordeel
Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij het vuurwapen en de munitie voorhanden heeft gehad.
Gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de omstandigheden dat het vuurwapen, met zeven stuks munitie in het patroonmagazijn, in de buddyseat van de snorscooter van verdachte is aangetroffen en de overige munitie in de woning zijn aangetroffen, concludeert de rechtbank dat verdachte zowel de wetenschap als de beschikkingsmacht hierover heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat het voorhanden hebben van het vuurwapen en de munitie bewezen is.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:
ten aanzien van feit 1:
op 5 april 2024 te Amsterdam, een wapen van categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistoolmitrailleur, van het merk Grand Power, type G9A, kaliber
(omgebouwd) 9mm x 17, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren
voorhanden heeft gehad;
ten aanzien van feit 2:
op 5 april 2024 te Amsterdam, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
- 20 patronen (Sellier & Bellot, 9mm x 19) en
- 4 patronen (Sellier & Bellot, 9mm x 17) en
- 9 patronen (CBC 7.65 mm Browning) en
- 7 patronen (Sellier & Bellot, 9mm x 17),
voorhanden heeft gehad.
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Die bewijsmiddelen zijn opgesomd in
bijlage IIbij dit vonnis.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft daarbij gewezen op de richtlijnen voor straffen van het Openbaar Ministerie voor wapenbezit onder bedenkelijke omstandigheden. De bedenkelijke omstandigheden zijn dat er bijpassende munitie in het vuurwapen zat en dat de munitie in een tas in de woning is aangetroffen.
7.2
Strafmaatverweer van de verdediging
Bij strafoplegging heeft de raadsman verzocht om een deels voorwaardelijke straf op te leggen. Hij heeft verzocht hierbij rekening te houden met het beperkte strafblad van verdachte en met zijn jeugdige leeftijd. Daarnaast heeft hij verzocht om rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte ter terechtzitting verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Ook heeft de raadsman aangevoerd dat, hoewel er op de binnenzijde van de loop van het vuurwapen DNA van verdachte is aangetroffen, zijn DNA ook indirect via secundaire overdracht op het vuurwapen terecht kan zijn gekomen. Bovendien is er DNA van een onbekende vrouw aangetroffen op de loop. Dit leidt er volgens de raadsman toe dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor de vaststelling dat het vuurwapen onder bedenkelijke omstandigheden is aangetroffen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een pistoolmitrailleur en (bijpassende) munitie. De rechtbank vindt het erg zorgelijk dat verdachte zich op straat bevond met het automatische vuurwapen, zeker aangezien het vuurwapen geladen was en voor onmiddellijk gebruik gereed. Met het voorhanden hebben van een geladen vuurwapen heeft verdachte een potentieel gevaarlijke situatie gecreëerd, omdat het bezit van vuurwapens maar al te vaak leidt tot het gebruik daarvan. Het ongecontroleerde bezit van wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Bovendien is het bezit van vuurwapens in Amsterdam een groot maatschappelijk probleem. Tegen dergelijke feiten wordt daarom streng opgetreden.
De ernst van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigt de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 7 juni 2024, waaruit blijkt dat hij in 2019 ook is veroordeeld voor verboden wapenbezit.
Oriëntatiepunten
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten. Uit de LOVS volgt dat het uitgangspunt voor het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen in de openbare ruimte een gevangenisstraf is voor de duur van vijftien maanden en het uitgangspunt voor het voorhanden hebben van één tot vijftig patronen een geldboete van € 150,- tot € 350,-.
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van strafverzwarende omstandigheden. Allereerst houdt de rechtbank rekening met de recidive ter zake van soortgelijke strafbare feiten van verdachte. Daarnaast weegt strafverzwarend dat verdachte op de openbare weg in Amsterdam een vuurwapen met munitie voorhanden heeft gehad en dat het vuurwapen geladen was. Het vuurwapen was gereed voor gebruik en verdachte heeft ter terechtzitting ook verklaard dat hij wist dat het vuurwapen geladen was. Vervolgens weegt strafverzwarend dat het vuurwapen binnen handbereik van verdachte lag. Bij het openen van de buddyseat was het vuurwapen immers direct zichtbaar. Ten slotte acht de rechtbank het strafverzwarend dat sprake was van bedenkelijke omstandigheden. In de woning van de moeder van verdachte is namelijk in een tas met kleding de munitie aangetroffen. Een deel van de aangetroffen munitie is geschikt om met het aangetroffen vuurwapen te verschieten. De overige munitie is geschikt om met een ander vuurwapen te verschieten en vormt daarmee een aanwijzing dat er mogelijkerwijs nog een ander vuurwapen was. Verder is tijdens de doorzoeking ook een jammer aangetroffen. Dit is zorgelijk omdat jammers vaak worden gebruikt bij het plegen van andere misdrijven, bijvoorbeeld om radiosignalen van opsporings- en hulpdiensten te verstoren.
De op te leggen straf
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van achttien maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een gedeelte daarvan voorwaardelijk op te leggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

8.Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
DV Patroon, omschrijving: G6485769;
1 DV Patroon, omschrijving: G6485766;
1 STK Patroon, omschrijving: G6485780;
1 STK Zendapparatuur, omschrijving: G6485755;
1 STK Pistool, omschrijving: G6485777 (omgebouwd naar automatisch), Grand Power).
8.1
Onttrekking aan het verkeer
De onder 1 tot en met 3 en 5 in beslag genomen voorwerpen dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de bewezen geachte feiten zijn begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
Het onder 4 in beslag genomen voorwerp is aangetroffen in het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven. Nu dit voorwerp kan dienen tot het begaan en de voorbereiding van soortgelijke misdrijven in het bijzonder tot de belemmering van de opsporing daarvan en van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, wordt dit voorwerp onttrokken aan het verkeer.

9.De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1:handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2º;
ten aanzien van feit 2:handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvan
18 (achttien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Beslag:
Verklaart
onttrokken aan het verkeerde inbeslaggenomen goederen, te weten:
DV Patroon (omschrijving: G6485769);
1 DV Patroon (omschrijving: G6485766);
1 STK Patroon (omschrijving: G6485780);
1 STK Zendapparatuur (omschrijving: G6485755);
1 STK Pistool (omschrijving: G6485777 (omgebouwd naar automatisch), Grand Power).
Dit vonnis is gewezen door:
mr. G. Demmink, voorzitter,
mrs. M.C. Danel en K.A. Brunner, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.K. Raspoort, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juli 2024.
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]
[...]