Verzoeker, bewoner van een rijksmonument in Amsterdam, kreeg een last onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders vanwege het ontbreken van een omgevingsvergunning voor een dakterras en warmtepomp. De last verplichtte verwijdering en het staken van gebruik binnen zes weken.
Na bezwaar en verlengingen van de begunstigingstermijn verzocht verzoeker om een voorlopige voorziening om de werking van de last te schorsen tot zes weken na de uitspraak in de bodemprocedure. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 9 oktober 2024.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van verzoeker, die afhankelijk is van de warmtepomp voor verwarming, zwaarder weegt dan het belang van het college en de verzoekers om handhaving. Er is onvoldoende concreet bewijs van overlast door de warmtepomp of het dakterras. Daarom wordt de voorlopige voorziening toegewezen, waarbij de werking van de last onder dwangsom wordt geschorst voor het verwijderen en verwijderd houden van het dakterras en de warmtepomp, maar het gebruik van het dakterras moet worden gestaakt.
Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van verzoeker. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.