Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2024:6327

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 oktober 2024
Publicatiedatum
17 oktober 2024
Zaaknummer
C/13/756958 / FA RK 24/6353
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:4 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing zorgmachtiging wegens onvoldoende onderbouwing psychotische stoornis

De rechtbank Amsterdam heeft op 9 oktober 2024 uitspraak gedaan over het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene.

Uit de medische stukken en de mondelinge behandeling blijkt onvoldoende dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis zoals vereist voor een zorgmachtiging. De psychiater gaf aan dat de psychotische symptomen in vroege remissie zijn, maar dit werd niet onderbouwd met een persoonlijke indruk of ziekte-inzicht. Tevens is geen aanvullend onderzoek gedaan naar mogelijke oorzaken zoals dementie.

De vermeende wanen van betrokkene betreffen geluidsoverlast en gedragingen van een bovenbuurvrouw, maar getuigenverklaringen van buren weerleggen dat sprake is van een waan. De overlast is gestopt door een bemiddelingstraject van de woningbouwvereniging, niet door medicatie. Betrokkene ervaart wel depressieve gevoelens en lichamelijke klachten, en staat open voor vrijwillig onderzoek naar mogelijke dementie.

Gezien het ontbreken van voldoende bewijs voor een psychische stoornis, wijst de rechtbank het verzoek tot zorgmachtiging af. De beschikking is mondeling gegeven en schriftelijk vastgelegd op 14 oktober 2024. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: Het verzoek tot verlening van een zorgmachtiging wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van een psychische stoornis.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/756958 / FA RK 24/6353
kenmerk: ZM/IND/145074
Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
Beschikking van 9 oktober 2024van de rechtbank Amsterdam naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1939 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
zorgaanbieder: Arkin,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. J.W.F. Menick te Amsterdam.

1.Procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 20 september 2024.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2024 in het gebouw van de rechtbank.
Ter zitting waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- betrokkene;
- de raadsman;
- mw. S.C. Bunschoten, psychiater;
- mw. [naam 1] , verpleegkundige;
- dhr. [naam 2] , buurman;
- mw. [naam 3] , buurvrouw.
Omdat de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig acht, is hij niet bij de mondelinge behandeling verschenen.

2.Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat uit de overlegde stukken en de mondelinge behandeling onvoldoende is gebleken dat sprake is van een psychische stoornis in de zin van de Wvggz. In de medische verklaring wordt gesproken over een
psychotische stoornis e causa ignota, waarbij de psychotische symptomen in vroege remissie zijn. Dit is niet onderbouwd met een persoonlijke indruk van betrokkene, beschrijving van de wijze waarop zij zich presenteert, ziekte inzicht, ziekte besef, wilsbekwaamheid e.d. Daar komt bij dat de psychiater tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht dat er nog geen aanvullend onderzoek is gedaan naar de oorzaak van de psychotische stoornis waaronder de mogelijkheid van bijvoorbeeld dementie, wat wel in het zorgplan als eventuele oorzaak wordt vermeld. Dit terwijl betrokkene vijfentachtig jaar oud is en niet is gebleken uit het dossier dat zij eerder met de GGZ in aanraking is geweest. Doorslaggevend acht de rechtbank echter het volgende. Het bestaan van de stoornis is uitsluitend gebaseerd op de depressieve klachten en de wanen die betrokkene zou hebben over haar bovenbuurvrouw, alsmede de geluidsoverlast die zij zelf zou veroorzaken in reactie op de perceptie van geluidsoverlast van de buurvrouw. Deze bovenbuurvrouw zou door gaten in het plafond kattenpis in de woning van betrokkene en op het balkon laten lekken en de hele nacht op de radiator tikken. In maart 2024 zou betrokkene de bewuste buurvrouw dreigend hebben toegesproken. De psychiater is van mening dat sprake is van een waan omdat de overlast niet door de behandelaren is waargenomen en omdat de overlast is gestopt nadat betrokkene met haar medicatie, penfluridol, is gestart. Er zijn wel gaten in het plafond maar daar kan geen vocht door komen.
De rechtbank maakt uit het zorgplan op dat meerdere buren van betrokkene dezelfde overlast ervoeren en dat hen onbekend was wie de overlast veroorzaakte. Twee van de buren van betrokkene zijn op de mondelinge behandeling verschenen. Zij hebben verklaard dat er geen sprake is van een waan bij betrokkene. Deze buren hebben de (geluids)overlast van de bovenbuurvrouw zelf waargenomen en weten zeker dat zij en niet betrokkene de overlast veroorzaakte. Zij hebben met meerdere buren al ruim dertien jaar last van de bovenbuurvrouw. Ook de ter zitting verschenen buurman heeft wel eens boos op de deur van die bovenbuurvrouw gebonkt omdat hij er niet meer tegen kon. Daarnaast verklaren deze buren dat de overlast niet is gestopt wegens de medicatie van betrokkene, maar omdat er na verlenen het van de zorgmachtiging aan betrokkene vanuit de woningbouwvereniging een bemiddelingstraject is opgestart met deze buurvrouw, die daarna is gestopt met het veroorzaken van overlast. Pas na tevergeefs jarenlang klagen ondernam de woningbouwvereniging stappen en is er rust.
Op grond van al deze omstandigheden acht de rechtbank niet aangetoond dat betrokkene zich de overlast heeft ingebeeld. Andere ervaringen die als waan zouden kunnen worden aangemerkt doen zich bij haar niet voor. Van de medicatie heeft betrokkene veel last. Bovendien heeft betrokkene nog steeds depressieve gevoelens. Dat wordt mede gevoed door het gevoel niet serieus te worden genomen en de schuld te krijgen van de overlast.
Nu er onvoldoende is gebleken dat er sprake is van een psychische stoornis in de zin van de Wvggz, zal de rechtbank geen zorgmachtiging verlenen. Dit neemt echter niet weg dat het op dit moment niet goed gaat met betrokkene. Ze is erg verdrietig en lichamelijk voelt zij zich niet goed. Bovendien zijn er vermoedens dat er sprake is van (beginnende) dementie in verband met geheugenklachten en de in eerder geriatrisch onderzoek gebleken resultaten van cognitieve screening. Betrokkene heeft aangegeven dat zij bereid is om hier in het vrijwillige kader verder onderzoek naar te laten verrichten. Haar buren zullen haar hierbij helpen en zij zullen aan de bel trekken indien er toch overlast ontstaat.

3.Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 9 oktober 2024 mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door mr. M.E.B. Terwee, rechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Diederen als griffier en op 14 oktober 2024 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.