ECLI:NL:RBAMS:2024:6365

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 oktober 2024
Publicatiedatum
21 oktober 2024
Zaaknummer
24/5282
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbParkeerverordening 2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor gehandicaptenparkeervergunning bezoekers wegens medische noodzaak

Verzoeker, een 90-jarige man met meerdere gezondheidsklachten, vroeg een gehandicaptenparkeervergunning voor bezoekers op een vast kenteken aan. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af omdat verzoeker geen houder van het voertuig zou zijn. Verzoeker gebruikte echter al jaren de auto van zijn dochter op basis van een bruikleenovereenkomst en beschikte in voorgaande jaren over een parkeervergunning.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college onvoldoende aandacht had besteed aan de hardheidsclausule, waarbij de hoge leeftijd en medische situatie van verzoeker niet adequaat waren meegewogen. Ook bleef onduidelijk welke vergunningen verzoeker in voorgaande jaren precies had ontvangen, wat nader onderzoek vereist.

Gezien het spoedeisend belang van verzoeker, die afhankelijk is van ziekenhuisbezoeken, en de kans dat het besluit in beroep geen stand houdt, werd de voorlopige voorziening toegewezen. Verzoeker krijgt een tijdelijke GA-parkeervergunning voor bezoekers tot de uitspraak in de hoofdzaak. Tevens moet het college het griffierecht en proceskosten vergoeden.

Uitkomst: Verzoeker krijgt een tijdelijke gehandicaptenparkeervergunning voor bezoekers toegewezen tot de uitspraak in de hoofdzaak.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5282

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 oktober 2024 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit Diemen, verzoeker

(gemachtigde: mr. F.R.G. Keijzer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder, hierna: het college
(gemachtigde: mr. D.R. de Vries).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een gehandicaptenparkeervergunning (GA-parkeervergunning) voor bezoekers op een vast kenteken.
1.2.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 29 november 2023 afgewezen, omdat verzoeker niet beschikt over een op naam gesteld kentekenbewijs en ook geen gebruik maakt van een leaseauto of een door zijn werkgever exclusief aan verzoeker beschikbaar gestelde auto. Met het bestreden besluit van 6 juni 2024 op het bezwaar van verzoeker is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.
2.1.
Verzoeker verzoekt een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de GA-parkeervergunning voor bezoekers op een vast kenteken (tijdelijk) wordt toegekend aan verzoeker.
2.2.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Verzoeker voert in dit verband aan dat hij een man is van 90 jaar oud met meerdere gezondheidsklachten waarvoor hij onder strikte behandeling staat bij het OLVG West en OLVG Oost in Amsterdam. Verzoeker woont zelf in Diemen en zonder een GA-parkeervergunning voor bezoekers staat het handhaven van continuïteit in deze ziekenhuisbezoeken ernstig onder druk. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang hiermee voldoende aannemelijk gemaakt.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemgeding niet.
4.2.
Verzoeker voert aan dat hij sinds 2021 jaarlijks een GA-parkeervergunning voor bezoekers toegekend heeft gekregen door het college. De aanvraag van 10 november 2023 is door het college geweigerd omdat verzoeker geen houder zou zijn van het motorvoertuig waarvoor de vergunning is aangevraagd. Sinds 2021 heeft verzoeker de auto van zijn dochter in bruikleen zoals ook blijkt uit de overgelegde bruikleenovereenkomst. Verzoeker heeft het exclusieve gebruik over deze auto. Verzoeker en zijn dochter hebben voor deze constructie gekozen, omdat verzoeker een bijstandsuitkering heeft en niet de financiële middelen heeft om zelf een auto aan te schaffen. Verzoeker voert aan dat hij houder is van de auto in de zin van de Parkeerverordening 2013 omdat de bruikleenovereenkomst gelijk gesteld moet worden aan een leaseovereenkomst. Verder voert verzoeker aan dat het besluit van het college zeer onevenredig uitpakt voor verzoeker en dat het college aanleiding had moeten zien om op basis van de hardheidsclausule tot een ander oordeel te komen.
4.3.
Los van de vraag of verzoeker houder is in de zin van de Parkeerverordening 2013 ziet de voorzieningenrechter aanleiding om in dit kader nader in te gaan op de hardheidsclausule.
4.4.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het college in het besluit op bezwaar zeer summier is ingegaan op de hardheidsclausule. Er wordt slechts geconstateerd dat er geen sprake is van bijzondere hardheid omdat de situatie van verzoeker zich niet bijzonder onderscheid van anderen. Het college heeft de hoge leeftijd, de medische situatie van verzoeker en het feit dat hier geen sprake is van een misbruiksituatie niet betrokken bij het bestreden besluit. Verder heeft het college niet betrokken dat er al jaren sprake is van een bruikleenovereenkomst en dat verzoeker desondanks eerder wel een vergunning heeft gekregen. Ter zitting heeft het college in eerste instantie aangevoerd dat er toen sprake was van een ander soort vergunning omdat uit het administratiesysteem naar voren komt dat verzoeker in 2021 in het bezit was een gehandicaptenbezoekerskaart. In 2022 was verzoeker in het bezit van een gehandicaptenparkeerkaart voor passagier. Vervolgens kwam de gemachtigde van het college terug op deze verklaring en verklaarde dat de gehandicaptenparkeerkaart voor passagier mogelijk verstrekt was aan de vrouw van verzoeker en dat onduidelijk is wat er aan verzoeker is verstrekt. Het zou volgens het college mogelijk kunnen zijn dat aan verzoeker wel een GA-parkeervergunning voor bezoekers is verstrekt. De voorzieningenrechter stelt vast dat onduidelijk is gebleven over wat voor type parkeervergunning verzoeker beschikte in de voorgaande jaren. Omdat dit wel van belang is voor de beoordeling van de hardheidsclausule ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Nader onderzoek kan in dit geval bijdragen aan de beoordeling van deze zaak. [1]
4.5.
De voorzieningenrecht is van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de hardheidsclausule, er een redelijke kans bestaat dat het besluit in beroep geen stand zal houden. De vraag is of verzoeker tijdens de beroepsprocedure alvast een GA-parkeervergunning voor bezoekers moet worden toegekend. De voorzieningenrechter heeft begrip voor het belang van het college omdat de beschikbare parkeerruimte beperkt is terwijl de vraag hiernaar is toegenomen. In dit geval is de voorzieningenrechter echter van oordeel dat in afwachting van de uitspraak van de rechtbank in de beroepsprocedure aan verzoeker alvast een GA-parkeervergunning voor bezoekers moet worden toegekend. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangen van verzoeker, zijn hoge leeftijd, zijn medische situatie en het feit dat verzoeker in de voorgaande jaren beschikte over een parkeervergunning zwaarder moeten wegen. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom toewijzen.

Conclusie en gevolgen

5.
5.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoeker een (tijdelijke) GA-parkeervergunning voor bezoekers wordt toegekend die geldig is tot de uitspraak van de rechtbank in de beroepsprocedure.
5.2.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 875,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.750,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoeker een (tijdelijke) GA-parkeervergunning voor bezoekers wordt toegekend die geldig is tot de uitspraak van de rechtbank in de beroepsprocedure;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Broek, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
22 oktober 2024.
buiten staat om
te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:86 van Pro de Awb.