Uitspraak
1.De procedure
- de productie van 2 oktober 2024 van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 11 oktober 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitaantekeningen van [eiser] .
Rechtbank Amsterdam
In deze zaak vordert verhuurder dat huurder de last onder dwangsom, opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, uitvoert en de horeca-activiteiten staakt dan wel ontruimt. Huurder exploiteert een snackbar in een bedrijfsruimte waarvan de huurovereenkomst een 'geen horeca'-bestemming voorschrijft. Het bestemmingsplan staat horeca als hoofdfunctie niet toe.
De rechtbank overweegt dat verhuurder geen rechtsgrondslag heeft aangevoerd voor de vordering tot naleving van de last onder dwangsom en dat niet is komen vast te staan dat huurder in zodanige mate handelt in strijd met de huurovereenkomst dat dit tot ontbinding kan leiden. Verhuurder liep bovendien het risico op handhaving door de gemeente, maar dit rechtvaardigt geen voorlopige voorziening.
Huurder heeft aangevoerd dat het voorgaande gebruik door de voorganger van huurder ook horeca-activiteiten omvatte en dat verhuurder hiervan op de hoogte was. De rechtbank acht het aannemelijk dat partijen tot het optreden van de gemeente van mening waren dat het gebruik binnen de bestemming viel. De vorderingen worden daarom afgewezen en verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van verhuurder af en veroordeelt hem in de proceskosten.