ECLI:NL:RBAMS:2024:6522
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en hoorplicht in bezwaarprocedure
De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam stelde de WOZ-waarde van een benedenwoning in Amsterdam vast op €1.337.000 voor het jaar 2020. Na bezwaar werd deze waarde bij uitspraak op bezwaar verlaagd naar €1.313.000. Eisers, eigenaren van de woning, stelden beroep in tegen deze uitspraak en voerden onder meer aan dat de hoorplicht was geschonden en dat de WOZ-waarde te hoog was vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat de hoorplicht niet was geschonden, omdat eisers telefonisch hadden aangegeven af te zien van een hoorzitting, ondanks dat dit contact pas twee jaar na het bezwaar plaatsvond. De oppervlakte van de woning werd vastgesteld op 153 m² en was niet meer in geschil. De rechtbank beoordeelde de vergelijkingsobjecten die de heffingsambtenaar gebruikte en concludeerde dat deze voldoende vergelijkbaar waren wat betreft type, bouwjaar, oppervlakte en buurt.
Eisers voerden aan dat geen rekening was gehouden met een stenen tuinhuis, kelder, erfpachtcorrectie en verschillen in onderhoud, kwaliteit en buurt. De rechtbank vond dat deze aspecten voldoende waren meegenomen of niet relevant waren voor de WOZ-waarde. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat niet was aangetoond dat er identieke woningen met lagere waarderingen bestonden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde van €1.313.000 bevestigd.