De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam legde aan eiser een aanslag precariobelasting 2023 op voor zijn woonboot gelegen in een Amsterdams stadsdeel. Eiser betwistte de verhoging van het tarief en stelde dat de motivering ontbrak en eerdere bezwaren niet volledig waren beantwoord.
De rechtbank beoordeelde het beroep en concludeerde dat de tariefsverhoging een politiek-bestuurlijke keuze is waar de gemeente ruime vrijheid in heeft. Er was geen sprake van een onzorgvuldig of oncontroleerbaar besluitvormingsproces. De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam die de tariefsverhoging voor 2020 had goedgekeurd, waarvan de verhoging voor 2023 een voortzetting is.
Hoewel de heffingsambtenaar zich aan de Verordening heeft gehouden, had hij wel moeten ingaan op de bezwaargronden van eiser. De rechtbank veroordeelde daarom de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht van €51,-. Het beroep werd verder ongegrond verklaard en de aanslag bevestigd. Eiser werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam.