Eiseres verzocht om een vergoeding op grond van de Catshuisregeling vanwege vermeende schade door de kinderopvangtoeslagaffaire. Verweerder wees dit af na een eerste (lichte) toets en een integrale toets, waarbij werd vastgesteld dat eiseres niet als gedupeerde ouder kon worden aangemerkt. Eiseres maakte bezwaar en stelde beroep in tegen de afwijzing.
De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het eerste bezwaarbesluit niet-ontvankelijk was vanwege intrekking door verweerder. Het beroep tegen het herziene besluit werd inhoudelijk behandeld. De rechtbank volgde het standpunt van verweerder dat eiseres geen recht heeft op de forfaitaire compensatie, omdat er geen sprake is van institutionele vooringenomenheid of bijzondere hardheid, maar slechts van verklaarbare wijzigingen in toetsingsinkomen en opvanguren.
Daarnaast werd een schadevergoeding van € 500,- toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn met bijna twee weken. Het verzoek om verstrekking van het volledige ouderdossier werd niet-ontvankelijk verklaard omdat dit niet onderdeel was van het bestreden besluit. De rechtbank veroordeelde verweerder tevens tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres.