De rechtbank Amsterdam heeft op 20 november 2024 uitspraak gedaan over het verzoek tot overlevering van een persoon uit Nederland aan Tsjechië op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd op 27 mei 2024. De zaak werd eerder aangehouden om gelijktijdig uitspraak te kunnen doen met een andere zaak van dezelfde opgeëiste persoon. Tijdens de zitting van 2 oktober 2024 verscheen de verdachte, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk.
Na een tussenuitspraak op 16 oktober 2024, waarbij het onderzoek werd geschorst om het antwoord van de Tsjechische autoriteiten af te wachten, werd de gevangenhouding geschorst. Op 6 november 2024 werd de zaak voortgezet zonder aanwezigheid van de verdachte. De rechtbank constateerde dat de wettelijke beslistermijn was verstreken, maar dat dit de verplichting tot beslissing niet opheft.
De rechtbank stelde de identiteit van de verdachte vast en bevestigde dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen. Er waren geen weigeringsgronden voor overlevering en de raadsvrouw van de verdachte voerde ontvankelijkheidsbedenking aan, die door de rechtbank werd verworpen. De overlevering werd uiteindelijk toegestaan, waarbij werd verwezen naar de toepasselijke artikelen uit de Overleveringswet en de Wegenverkeerswet 1994.