De rechtbank Amsterdam behandelde op 6 november 2024 het verzoek tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Oostenrijk op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd op 28 mei 2024 door de officier van justitie te Eisenstadt. De opgeëiste persoon werd bijgestaan door een advocaat en een tolk en betwistte onder meer de genoegzaamheid van het EAB en voerde een onschuldverweer.
De rechtbank oordeelde dat het EAB voldoende informatie bevatte over de feiten, de rol van de opgeëiste persoon, de plaats en tijd van de strafbare feiten en dat het specialiteitsbeginsel gewaarborgd is. Het verweer dat het EAB te summier zou zijn werd verworpen. Tevens werd vastgesteld dat de strafbare feiten als lijstfeiten zijn aangemerkt, waardoor een onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege blijft.
Sinds 1 oktober 2024 is het onschuldverweer op grond van de gewijzigde Overleveringswet niet meer mogelijk, waardoor dit verweer niet ontvankelijk is. De rechtbank concludeerde dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn en stond de overlevering toe. De uitspraak is gedaan door drie rechters en is onherroepelijk.