Partijen zijn gehuwd sinds 2017 en hebben twee minderjarige kinderen. Bij beschikking van 5 juni 2024 stelde de rechtbank voorlopige voorzieningen vast omtrent zorg en verblijf van de kinderen, waarbij de vrouw het hoofdverblijf kreeg en de man omgangsrecht met overnachtingen volgens een vastgesteld schema.
De vrouw verzocht op 28 augustus 2024 om wijziging van deze zorgregeling, stellende dat de kinderen weerstand tonen tegen overnachtingen bij de man, onder meer door het bellen van 112, en dat de regeling niet uitvoerbaar is. Zij voerde tevens aan dat de rechtbank destijds uitging van onjuiste en onvolledige gegevens, onder meer omdat de man geen geschikte woonruimte zou hebben.
De man verweerden zich tegen het verzoek en verzocht primair niet-ontvankelijkheid, subsidiair handhaving van de regeling, en voerde alternatieve voorstellen. De rechtbank overwoog dat de omstandigheden niet zodanig zijn gewijzigd dat de voorlopige voorzieningen evident niet in stand kunnen blijven. De weerstand van de kinderen en de communicatieproblemen zijn onvoldoende om de regeling te wijzigen, zeker gezien de aanstaande bodemprocedure.
De rechtbank benadrukte het voorlopige karakter van de voorzieningen en dat een uitgebreid onderzoek in de bodemprocedure zal plaatsvinden. Het verzoek tot wijziging werd daarom afgewezen en de bestaande zorgregeling blijft van kracht tot de bodemprocedure is afgerond.