De rechtbank Amsterdam behandelde op 14 november 2024 het verzoek tot overlevering van een Nederlander aan Frankrijk op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Openbaar Ministerie te Douai. De opgeëiste persoon werd verdacht van betrokkenheid bij invoer en vervoer van cocaïne en is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van achttien maanden.
De verdediging voerde aan dat het EAB onvoldoende concreet was en dat overlevering om humanitaire redenen onevenredig zou zijn. De rechtbank oordeelde dat het EAB voldoende duidelijkheid bood over de feiten en dat geen bijzondere omstandigheden waren die overlevering onevenredig maakten.
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beriep zich op de weigeringsgrond van artikel 6a OLW. De rechtbank concludeerde dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland kan worden overgenomen, mede gelet op de banden van de opgeëiste persoon met Nederland.
De rechtbank besloot daarom de overlevering te weigeren en de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland te bevelen. Tevens werd de gevangenhouding tot aan de tenuitvoerlegging bevolen. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.