Eiser was op basis van een detacheringsovereenkomst werkzaam bij Yacht met een proeftijd waarin de overeenkomst per direct kon worden opgezegd. Tijdens een gesprek op 25 maart 2024 werd mondeling medegedeeld dat de proeftijd niet werd verlengd, wat later schriftelijk werd bevestigd door Yacht.
Eiser betwistte de beëindiging en vorderde betaling van achterstallig loon vanaf 1 april 2024. Yacht voerde verweer dat de arbeidsovereenkomst per 1 april was geëindigd en dat loon over die periode niet verschuldigd was.
De kantonrechter stelde vast dat de schriftelijke bevestiging van beëindiging door een bevoegde persoon onmiskenbaar was en dat eiser niet binnen twee maanden na beëindiging een vernietigingsverzoek had ingediend. Hierdoor was de opzegging in rechte onaantastbaar en bestond geen arbeidsovereenkomst meer na 31 maart 2024.
De loonvordering werd daarom afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd op 29 november 2024 uitgesproken.