Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2024:749

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 februari 2024
Publicatiedatum
13 februari 2024
Zaaknummer
1300231824
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 9 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks verjaring en garanties uitvoering straf in Nederland

De Rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek tot overlevering van een persoon aan Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse justitiële autoriteiten. De zaak kende een langdurige procesgang met zittingen in 2019 en 2024, waarbij de rechtbank oordeelde dat de wettelijke beslistermijn was verstreken maar dit de beslissing niet ontslaat.

De opgeëiste persoon, die de Nederlandse nationaliteit bezit en in Nederland verblijft, werd verdacht van illegale handel in verdovende middelen, een lijstfeit onder de Overleveringswet. De verdediging voerde onder meer aan dat het EAB onduidelijkheden bevatte en dat het recht tot vervolging in Nederland was verjaard. De rechtbank verwierp het verzoek tot aanhouding van de procedure en oordeelde dat de verjaring van het recht tot vervolging voor een van de feiten volgens Nederlands recht inderdaad is ingetreden, maar dat dit geen reden is om overlevering te weigeren.

De rechtbank nam daarbij mee dat de Poolse autoriteiten het EAB niet hebben ingetrokken en dat de opgeëiste persoon sociale banden heeft met Nederland, waardoor uitvoering van een eventuele straf in Nederland mogelijk is gemaakt door een garantie van de Poolse rechtbank. Ook werd geoordeeld dat er geen concreet individueel gevaar bestaat voor schending van het recht op een eerlijk proces in Polen. De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, zodat de overlevering wordt toegestaan.

De uitspraak is definitief en niet vatbaar voor gewoon rechtsmiddel. De rechtbank benadrukte dat de termijn van vrijheidsbeneming en de mogelijkheden tot verlenging daarvan moeten worden bezien in samenhang met de wettelijke beslistermijn.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe onder de gegeven voorwaarden en garanties.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.002318-24 (voorheen 13.751742-18) (EAB I)
Datum uitspraak: 6 februari 2024
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 maart 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 31 juli 2018 door
the Sąd Okręgowy we Włocławku (the Circuit Court in Wloclawek)in Polen en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,
verblijvend op het adres [adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 10 mei 2019
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 mei 2019, in aanwezigheid van mr. R. Vorrink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. V.C. van der Velde, advocaat in Almere.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie de gelegenheid te geven om alle onduidelijkheden goed uit te zoeken.
Zitting 23 januari 2024
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 23 januari 2024, in aanwezigheid van M. al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, Mr. G.I. Roos, advocaat in Almere, die waarneemt voor mr. V.C. van der Velde, eveneens advocaat in Almere.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. [1] Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding. [2]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
e decision of the Circuit Court in Włocławekvan
22 januari 2018 (II K 62/17).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Polen strafbare feiten.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. Op de zitting van 10 mei 2019 is de zaak aangehouden vanwege onduidelijkheden die opheldering verdienden. Antwoorden op vragen die destijds zijn gesteld, zijn er nog steeds niet. De Poolse autoriteiten hebben eerder het EAB ten aanzien van een medeverdachte in de zaak van de opgeëiste persoon ingetrokken. Dit roept vragen op ten aanzien van de juistheid van de verdenking tegen de opgeëiste persoon. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht de zaak aan te houden om opheldering te verkrijgen over de onduidelijkheden in deze zaak.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het verweer van de raadsman dient te worden verworpen. De officier van justitie heeft zich eveneens verzet tegen aanhouding van de zaak.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de door de raadsman aangevoerde omstandigheden geen grond opleveren voor weigering van de overlevering. Uit het feit dat het EAB ten aanzien van de opgeëiste persoon niet is ingetrokken, blijkt dat de uitvaardigende justitiële autoriteit nog altijd de overlevering van de opgeëiste persoon wenst. De intrekking van het EAB ten aanzien van een medeverdachte heeft dan ook geen betekenis in de overleveringsprocedure van de opgeëiste persoon. Alle vragen die in deze zaak relevant zijn binnen het toetsingskader van de OLW, zijn beantwoord. De rechtbank is hiermee van oordeel dat zij over voldoende informatie beschikt om in deze zaak een beslissing te nemen en wijst het subsidiaire verzoek van de raadsman tot aanhouding van de behandeling dan ook af.

4.Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Onschuldverweer

De opgeëiste persoon verklaart niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit, anders dan de OLW vereist, niet tijdens het verhoor ter zitting aangetoond.
De onschuldbewering leidt alleen om die reden al niet tot weigering van de overlevering. [3]

6.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon daarnaast zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van sociale re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
The Regional Court, Penal Division IIheeft op 9 januari 2024 de volgende garantie gegeven:
“I hereby sustain the guarantee discussed in the letter of 6th October 2021 i.e. the Regional Court in Włocławek, as the body issuing the waarant is case file reference II Kop 16/18 guarantees that after carrying out of the criminal proceedings by the Regional Court in Włocławek, Penal Division II, in case the penalty of imprisonment or other measures consisting in deprivation of freedom is adjudicated towards him, the convict [opgeëiste persoon] born on [geboortedag] 1964 shall be transferred to the Kingdom of the Netherlands, with the aim to execute the sentence of the Polish court in the territory of the Kingdom of the Netherlands”.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de verdenking “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro A van de Opiumwet (OW) gegeven verbod” het recht tot strafvordering naar Nederlands recht is verjaard. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht niet af te zien van de toepassing van de facultatieve weigeringsrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW.
Oordeel van de rechtbank
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Dat betekent dat naar Nederlands recht rechtsmacht had kunnen worden uitgeoefend over voormeld feit. In dat geval kan ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW de overlevering van de opgeëiste persoon worden geweigerd indien naar Nederlands recht wegens het verstrijken van de verjaringstermijn geen vervolging meer plaats kan vinden.
De rechtbank ziet af van weigering op grond van voormelde bepaling en overweegt daartoe als volgt.
Het tweede feit omschreven in onderdeel e) van het EAB heeft naar Nederlands recht betrekking op de verdenking van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, OW gegeven verbod. Dit is strafbaar gesteld in artikel 11, vierde en vijfde lid, OW met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.
Naar Nederlands recht vervalt ingevolge de bepalingen van artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) het recht tot strafvervolging door verjaring in twaalf jaar voor misdrijven waarop een tijdelijke gevangenisstraf is gesteld van meer dan drie jaren, maar minder dan acht jaren.
Ingevolge artikel 71 Sr Pro vangt de verjaringstermijn aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd. Volgens het EAB zou het omschreven strafbare feit hebben plaatsgevonden in de zomer van 1998.
De verjaringstermijn kan ingevolge artikel 72 Sr Pro worden gestuit door iedere daad van vervolging. Na de stuiting van de verjaring vangt een nieuwe verjaringstermijn aan.
Uit de aanvullende informatie van 9 januari 2024 van de uitvaardigende justitiële autoriteit volgt dat de beslissing tot het indienen van de tenlastelegging met betrekking tot de feiten waarvoor overlevering wordt gevraagd op 4 september 2008 aan de opgeëiste persoon is voorgelegd. Dit is een handeling die een daad van vervolging in de zin van artikel 72, eerste lid, Sr oplevert. Deze handeling heeft de verjaring gestuit en heeft in 2008 een nieuwe verjaringstermijn van twaalf jaren doen ingaan.
Het recht tot strafvordering vervalt in ieder geval op het moment dat na de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen, een periode is verstreken die gelijk is aan tweemaal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn, in dit geval 24 jaar. De oorspronkelijke verjaringstermijn is ingevolge artikel 71 Sr Pro aangevangen in de zomer van 1998. Dit betekent dat het recht tot strafvervolging in ieder geval is vervallen in de zomer van 2022.
Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat het recht op strafvervolging van het tweede feit naar Nederlands recht is verjaard, zodat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW op dit feit van toepassing is.
In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij van belang dat zij de overlevering ten aanzien van de andere verdenkingen waarvoor overlevering wordt gevraagd, zal toestaan. Weigering van de overlevering ten aanzien van het tweede feit zou overigens ook niet betekenen dat de opgeëiste persoon niet meer kan worden vervolgd ten aanzien van dit feit. Zolang het recht tot strafvervolging ten aanzien van dit feit naar Pools recht niet is verjaard, zou de opgeëiste persoon – wanneer hij gebruik maakt van zijn vrije verkeersrechten binnen de Europese Unie – rekening moeten houden met de mogelijkheid dat hij door een andere lidstaat van de Europese Unie aan Polen wordt overgeleverd voor de vervolging ten aanzien van het tweede feit. Het is daarom in het belang van de opgeëiste persoon dat hij – eenmaal in Polen – alle tegen hem lopende strafzaken in het geheel kan afsluiten.

8.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

Het EAB ziet op feiten die geacht worden gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [4]
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht af te zien van deze weigeringsgrond en heeft daartoe het volgende aangevoerd:
  • het onderzoek is jaren geleden al aangevangen in Polen;
  • uit de recente communicatie met de Poolse autoriteiten blijkt dat Polen nog steeds de overlevering van de opgeëiste persoon wenst;
  • het bewijs bevindt zich in Polen;
  • het Nederlandse Openbaar Ministerie is niet voornemens de feiten te vervolgen en;
  • de verdovende middelen waren bestemd voor de Poolse markt.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
Gelet op de door de officier van justitie genoemde argumenten vormt het gegeven dat de feiten worden geacht gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. De rechtbank ziet dan ook af van toepassing van de weigeringsgrond in artikel 13 OLW Pro.
9. Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
De opgeëiste persoon heeft aangevoerd dat hij in Polen geen eerlijk proces zal krijgen vanwege politieke kwesties in Polen met betrekking tot zijn broer. De opgeëiste persoon heeft echter geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat – noch die doen vermoeden dat – de hiervoor vermelde structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak. Hierdoor is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld en bestaat er ook geen aanleiding om aanvullende gegevens op te vragen. [6]

10.Slotsom

Omdat de rechtbank vaststelt dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en er ook verder geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, moet de overlevering worden toegestaan.

11.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6, 7, 9 en 13 OLW.

12.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Sąd Okręgowy we Włocławku (the Circuit Court in Wloclawek)(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB .
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. A.S. Dogan en A.W.T. Klappe, rechters,
in tegenwoordigheid van F.M.H. Albarda, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 februari 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 22 OLW Pro.
2.De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn.
3.Rechtbank Amsterdam, 19 augustus 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:4340.
4.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (