ECLI:NL:RBAMS:2024:7619

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 december 2024
Publicatiedatum
9 december 2024
Zaaknummer
13-304742-24
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks detentieomstandigheden in Spanje

De rechtbank Amsterdam behandelde op 21 november 2024 de vordering van de officier van justitie tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Spanje. De opgeëiste persoon, met Bulgaarse nationaliteit en zonder vaste verblijfplaats in Nederland, werd verdacht van oplichting en veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar. De rechtbank verlengde de uitspraaktermijn en beval gevangenhouding.

De verdediging voerde aan dat de detentieomstandigheden in Spanje, mede door recente weersomstandigheden en de medische situatie van de opgeëiste persoon (hartproblemen), een schending van het Handvest van de grondrechten van de EU zouden opleveren. De officier van justitie betwistte dit en verwees naar eerdere uitspraken waarin geen algemeen gevaar voor onmenselijke behandeling in Spaanse gevangenissen werd vastgesteld.

De rechtbank oordeelde dat het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen lidstaten geldt, tenzij er objectief bewijs is van een algemeen reëel gevaar op onmenselijke behandeling. Dit was niet vastgesteld op basis van betrouwbare en actuele gegevens, waaronder rapporten van het Europees Comité ter Preventie van Foltering. Daarom werd geen individueel gevaar getoetst en werden geen aanvullende vragen aan de Spaanse autoriteiten gesteld.

De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn. De overlevering werd toegestaan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Spanje toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-304742-24
Datum uitspraak: 5 december 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 1 oktober 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 januari 2024 door
the Provincial High Court of Valencia, First Division,Spanje (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1980,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 november 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A. Kilinç, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Bulgaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Bulgaarse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt - gelezen in samenhang met de aanvullende informatie van 15 oktober 2024 - een
enforceable judgement of the First Division of the Provincial High Court of Valencia, dated 10 September 2020,met
judgment no. 262/2020.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot het hiervoor vermelde vonnis van 10 september 2020 heeft geleid.
Uit de aanvullende informatie van 15 oktober 2024 blijkt dat bij beslissing van 29 oktober 2020 de voorwaardelijke opschorting van de vrijheidsstraf is bevolen. Bij beslissing van 16 november 2023 is vervolgens de herroeping van de voorwaardelijke opschorting bevolen, omdat de opgeëiste persoon zich niet aan de bijzondere voorwaarden heeft gehouden.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 [4] volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW Pro.
De beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke opschorting van 16 november 2023 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro. [5]
Dit betekent dat de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW Pro hoeft te toetsen dan de veroordeling van 10 september 2020 waarbij de vrijheidsstraf is opgelegd.
De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is derhalve niet van toepassing.

4.Strafbaarheid

4.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Spanje een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Artikel 11 OLW Pro: Spaanse detentieomstandigheden

Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat overlevering van de opgeëiste persoon tot een schending van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) kan leiden. Volgens de raadsman zouden de recente weersomstandigheden in Valencia van invloed kunnen zijn op de detentiefaciliteiten. Mogelijk is er nu geen (adequate) medische zorg of moeten meer gedetineerden op één cel verblijven. Gelet op de medische situatie van de opgeëiste persoon – die aan hartproblemen lijdt – kan bij onderbezetting van de medische dienst sprake zijn van een gevaar van een onmenselijke behandeling. De raadsman heeft daarom verzocht nadere vragen aan de Spaanse autoriteiten te stellen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich – onder verwijzing naar de uitspraak van 14 april 2022 van deze rechtbank [6] – op het standpunt gesteld dat de detentieomstandigheden geen belemmering vormen voor overlevering. Voor Spanje is geen algemeen gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden aangenomen. Er wordt daarom niet toegekomen aan de beoordeling van een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon en nadere vagen aan de Spaanse autoriteiten zijn niet nodig.
Het oordeel van de rechtbank
In zijn arrest van 5 april 2016 [7] heeft het Hof van Justitie voorop gesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen. Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. Bij haar oordeel of sprake is van een reëel gevaar moet zij zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Als de rechtbank heeft vastgesteld dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, dient de rechtbank daarna te beoordelen of de opgeëiste persoon in het geval van overlevering daadwerkelijk zo’n gevaar zal lopen.
Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld volgt uit het rapport van de
European Committee for the Prevention of Torturevan 9 november 2021 niet dat overgeleverde personen in Spanje in het algemeen een reëel gevaar van een onmenselijke of een vernederende behandeling lopen [8] .
Evenmin is met andere objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens onderbouwd dat voor gedetineerden in Spaanse detentie-instellingen in het algemeen een reëel gevaar van een onmenselijke of een vernederende behandeling bestaat.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de vraag of voor deze opgeëiste persoon na zijn overlevering een reëel gevaar van onmenselijke behandeling in detentie bestaat. De rechtbank ziet daarom - anders dan de raadsman - geen aanleiding om vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot waar en onder welke omstandigheden de opgeëiste persoon naar verwachting zal worden gedetineerd en hetgeen de raadsman in dit kader over de medische situatie van de opgeëiste persoon heeft aangevoerd.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Provincial High Court of Valencia, First Division,Spanje, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel (e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James - Pater, voorzitter,
mrs. H.H.J. Zevenhuijzen en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en M.J.D. Hartman, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 december 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (
5.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (
7.ECLI:EU:C:2016:198, Aranyosi en Căldăraru, punt 78
8.Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:RBAMS:2022:2325.