ECLI:NL:RBAMS:2024:7706

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 december 2024
Publicatiedatum
11 december 2024
Zaaknummer
13-285544-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 9 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel ondanks eerdere identieke vordering

De rechtbank Amsterdam behandelde op 27 november 2024 het verzoek tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Slowakije op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) van 13 maart 2024. De opgeëiste persoon, met de Nederlandse nationaliteit, werd verdacht van illegale handel in verdovende middelen volgens Slowaaks recht. De verdediging voerde aan dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat een identiek EAB eerder was toegestaan en er geen gewijzigde omstandigheden waren.

De rechtbank oordeelde echter dat meerdere opvolgende EAB’s mogelijk zijn zolang de nieuwe uitvaardiging evenredig is. De Slowaakse autoriteiten hadden opnieuw de evenredigheid beoordeeld. De terugkeergarantie dat de opgeëiste persoon een opgelegde straf in Nederland kan ondergaan, werd als voldoende beoordeeld ondanks dat de toestemming van de Slowaakse Minister van Justitie vereist is.

Verder werd de weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro verworpen omdat het feit slechts gedeeltelijk in Nederland zou zijn gepleegd en het Nederlandse Openbaar Ministerie geen vervolging voor dat feit nastreeft. Ook de ne bis in idem-weigeringsgrond van artikel 9 OLW Pro werd verworpen omdat het Nederlandse strafrechtelijk onderzoek een ander feit betreft dan het Slowaakse EAB. De rechtbank stond daarom de overlevering toe en bepaalde dat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel openstaat.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Slowakije toe op basis van het Europese aanhoudingsbevel van 13 maart 2024.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-285544-24
Datum uitspraak: 11 december 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 13 september 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 13 maart 2024 door de
Okresný súd Nitra(rechtbank van eerste aanleg Nitra) in Slowakije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [P.I.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 november 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. Y. Moszkowicz, advocaat in Utrecht.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een bevel tot aanhouding van de Rechtbank van eerste aanleg in Nitra van 13 maart 2024 met dossiernummer 33Tk/1/2024.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Slowaaks recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]
4. Verzoek schorsing van het onderzoek / verweer ontvankelijkheid van de officier van justitie
Inleiding
De raadsman heeft op zitting naar voren gebracht dat de rechtbank de overlevering van de opgeëiste persoon op basis van een naar motivering identiek EAB eerder heeft toegestaan bij uitspraak van 3 augustus 2023 in de zaak met parketnummer 13-125535-23. Deze uitspraak is door het openbaar ministerie in het dossier horende bij de onderhavige zaak gevoegd en tevens door de rechtbank gepubliceerd. [4]
Het standpunt van de raadsman
Volgens de raadsman zou de officier van justitie niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in zijn vordering, wanneer er bij een EAB, dat naar motivering identiek is aan het eerdere EAB uit de uitspraak van 3 augustus 2023, om de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht en geen sprake is van gewijzigde omstandigheden en minder ingrijpende middelen voorhanden zijn om het Slowaakse strafrechtelijk onderzoek tegen de opgeëiste persoon voort te zetten. Om die reden heeft de raadsman de rechtbank verzocht om het onderzoek ter zitting te schorsen en vragen aan de Slowaakse autoriteiten te stellen met betrekking tot de feiten en omstandigheden die tot het besluit hebben geleid om opnieuw om de overlevering van de opgeëiste persoon te verzoeken.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich verzet tegen het verzoek van de raadsman. De omschrijving van de feiten in het onderhavige EAB wijkt af van de omschrijving van de feiten in het EAB op basis waarvan bij de uitspraak van 3 augustus 2023 de overlevering van de opgeëiste persoon is toegestaan. Daarnaast bevindt het Slowaakse strafrechtelijke onderzoek tegen de opgeëiste persoon zich op dit moment in een andere fase en hebben de Slowaakse autoriteiten opnieuw een afweging gemaakt over de evenredigheid van het uitvaardigen van een nieuw EAB.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 31 januari 2023 (
Lluís Puig Gordi e.a.), voorop dat als eenmaal bij rechterlijke einduitspraak over een EAB is beslist, het de uitvaardigende justitiële autoriteit vrijstaat om een nieuw EAB uit te vaardigen. Dit geldt in het bijzonder wanneer sprake is van gewijzigde omstandigheden of de eerdere beslissing in strijd was met het Unierecht. Geen enkele bepaling van het Kaderbesluit 2002/584 (hierna: het Kaderbesluit) sluit immers uit dat meerdere opvolgende EAB’s worden uitgevaardigd tegen één persoon. [5]
Het is aan de rechterlijke autoriteit die voornemens is een EAB uit te vaardigen, om na te gaan of die uitvaardiging, gelet op de specifieke kenmerken van de zaak, evenredig is omdat de uitvaardiging van een EAB afbreuk kan doen aan de individuele vrijheid van de opgeëiste persoon. [6] In die afweging kan bijvoorbeeld rekening worden gehouden met de aard en ernst van het strafbare feit en de gevolgen voor de opgeëiste persoon van het eerdere EAB dat tegen hem werd uitgevaardigd. Dit betekent – kort gezegd – dat het Kaderbesluit zo moet worden uitgelegd dat meerdere opvolgende EAB’s ten aanzien van hetzelfde feit kunnen worden uitgevaardigd, zolang de uitvaardiging van het nieuwe EAB opnieuw evenredig is bevonden. [7]
In de onderhavige zaak heeft de rechtbank haar uitspraak van 3 augustus 2023 opnieuw bestudeerd en vastgesteld dat het in die uitspraak vermelde EAB op 8 april 2021 is uitgevaardigd en als grondslag een
arrest warrant of the District Court Nitra (Okresný súd Nitra)van 7 april 2021 met
reference number 21Tp/13/2021vermeldde. Het onderhavige EAB is op 13 maart 2024 uitgevaardigd en vermeldt als grondslag, zoals onder rubriek 3 al is vastgesteld, een bevel tot aanhouding van de rechtbank van eerste aanleg in Nitra van 13 maart 2024 met dossiernummer 33Tk/1/2024.
De rechtbank constateert aldus dat de rechtbank van eerste aanleg in Nitra op 13 maart 2024 opnieuw de aanhouding van de opgeëiste persoon heeft bevolen en dat op basis daarvan een
nieuwEAB is uitgevaardigd. In het licht van het vertrouwensbeginsel en hetgeen door de officier van justitie is aangevoerd, dient de rechtbank er daarbij vanuit te gaan dat de Slowaakse autoriteiten ook de evenredigheid van het uitvaardigen van een nieuw EAB bij hun oordeel hebben betrokken. Het verzoek van de raadsman wordt verworpen.

5.Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland onder nummer 5 in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Slowakije een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

6.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

Inleiding
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De
chairperson of the panelvan de
district court Nitraheeft de volgende garantie gegeven:
With reference to article 5 (3) of the Framework Decision on the European arrest warrant and the surrender procedures between Member States, the District Court Nitra hereby declares that in case accused [opgeëiste persoon] is found guilty within the territory of the Slovak Republic and is sentenced for unconditional punishment of imprisonment, after permitting of surrender of the sentenced person for service of imprisonment in foreign country he may serve the imposed sentence in the Netherlands. Surrendering of the sentenced person for service of imprisonment in foreign country is subject to decision of the Ministry of Justice of the Slovak Republic issued upon motion of either the sentenced person, or of the country whereto the person is to be surrendered or of the court that issued the sentencing judgment in the first instance.
Het standpunt van de verdediging
Volgens de raadsman voldoet de hierboven weergegeven terugkeergarantie niet, omdat daaruit blijkt dat de terugkeer van de opgeëiste persoon na berechting in Slowakije afhankelijk is van toestemming van de Slowaakse Minister van Justitie. Hierdoor is geen sprake van een garantie, maar een intentieverklaring om de opgeëiste persoon een eventuele op te leggen vrijheidsbenemende straf in Nederland te laten ondergaan.
Het standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie volstaat de hierboven weergegeven terugkeergarantie, wanneer deze in samenhang met de door het Openbaar Ministerie op 1 oktober 2024 gestelde vragen wordt gelezen. Daarnaast is in de praktijk gebleken dat de Slowaakse autoriteiten voldoen aan terugkeergaranties in overleveringsprocedures en heeft de rechtbank eerder in haar uitspraak van 3 augustus 2023 betreffende de opgeëiste persoon overwogen dat zij ervan uitgaat dat de Slowaakse Minister van Justitie de Slowaakse wetgeving kaderbesluitconform uitlegt.
Het oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is de hierboven weergegeven terugkeergarantie voldoende. Daarbij neemt de rechtbank, net zoals zij in de uitspraak betreffende de opgeëiste persoon van 3 augustus 2023 heeft gedaan, in aanmerking dat de Minister van Justitie bij zijn beslissing over de terugkeer naar Nederland verplicht is om de Slowaakse wetgeving kaderbesluitconform toe te passen en uit te leggen. [8]

7.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [9]
De raadsman heeft de rechtbank gewezen op het gegeven dat de weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro van toepassing is.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond heeft daartoe aangevoerd dat het strafrechtelijk onderzoek betreffende het in het EAB vermelde feit in Slowakije is aangevangen, het bewijs ten aanzien van dat onderzoek zich in Slowakije bevindt en het Nederlandse Openbaar Ministerie niet voornemens is de opgeëiste persoon voor voornoemde feit in Nederland te vervolgen.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank is – mede in het licht van de door de officier van justitie aangevoerde omstandigheden – van oordeel dat het gegeven dat het feit geacht wordt gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, onvoldoende aanleiding is om de weigeringsgrond toe te passen.

8.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9 OLW Pro

Het standpunt van de raadsman

Volgens de raadsman doet de situatie zoals omschreven in artikel 9, eerder lid, onder a, OLW zich voor, nu tegen de opgeëiste persoon in Nederland in hoger beroep een strafrechtelijk onderzoek loopt met eenzelfde feitencomplex zoals dat in het EAB is omschreven. Het Nederlandse strafrechtelijke onderzoek is gebaseerd op dezelfde personen en locaties. Alleen het in de Nederlandse tenlastelegging vermelde verdovende middel wijkt af van het in het EAB omschreven feit.
Het standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie doet de weigeringsgrond van artikel 9 OLW Pro zich niet voor, nu het feit dat centraal staat in het Nederlandse strafrechtelijke onderzoek waar de raadsman aan refereert anders is dan het feit dat in het EAB is omschreven. In Nederland wordt de opgeëiste persoon namelijk vervolgd voor een feit dat ziet op cocaïne, terwijl in het EAB over methamfetamine wordt gesproken. Daarnaast is de pleegdatum op de Nederlandse tenlastelegging beperkter.
Het oordeel van de rechtbank
Artikel 9, eerste lid, onder a, OLW bepaalt dat de overlevering van een opgeëiste persoon kan worden geweigerd ter zake van een feit waarvan tegen hem in Nederland een strafvervolging gaande is. Deze weigeringsgrond beoogt schending van het
ne bis in idem-beginsel te voorkomen en ziet op de vervolging van
hetzelfdefeit als waarvoor de overlevering wordt verzocht. Nu het in het EAB omschreven feit ziet op de invoer, verkoop en illegale distributie van methamfetamine in Slowakije, terwijl het Nederlands strafrechtelijk onderzoek zich op de invoer van cocaïne in Nederland richt en het grondgebied van Slowakije daarin geen onderdeel van de in de tenlastelegging genoemde pleeglocaties uitmaakt, wordt de opgeëiste persoon naar het oordeel van de rechtbank niet in Nederland vervolgd voor hetzelfde feit en doet de weigeringsgrond van artikel 9 OLW Pro zich niet voor.

9.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

10.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6, 7, 13 OLW.

11.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
Okresný súd Nitra(rechtbank van eerste aanleg Nitra) in Slowakije voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.Deze uitspraak is gedaan door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter,
mrs. H.J.H. van Meegen en A.J.R.M. Vermolen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Esschendal, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 december 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Zie rb. Amsterdam 3 augustus 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5540
5.Vergelijk: Hof van Justitie EU 31 januari 2023, C-158/21, ECLI:EU:C:2023:57, rb. Amsterdam 28 februari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:1051 en rb Amsterdam 22 maart 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:1661.
6.Hof van Justitie EU 31 januari 2023, C-158/21, ECLI:EU:C:2023:57, para. 144.
7.Hof van Justitie EU 31 januari 2023, C-158/21, ECLI:EU:C:2023:57, para. 146.
8.Vergelijk: rb. Amsterdam 3 augustus 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5540.
9.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.